Dissident in de psychiatrie

Zijn hele werkzame leven streed psychiater Jan Foudraine (1929-2016) tegen het steeds dominantere medische model als verklaring van psychische problemen. Psychotherapie moest de kern zijn van de behandeling. Wat kunnen wij nu van hem leren?

Het moet rond 1979 zijn geweest, mijn kennismaking met Wie is van hout… van psychiater Jan Foudraine. Het boek verscheen al in 1971, maar was ook jaren na het verschijnen nog mateloos populair. De belangrijkste boodschap die ik er als tiener uit destilleerde was dat iedere vorm van gedrag in principe te begrijpen valt, als je maar genoeg je best deed als therapeut. Foudraine werkte in de jaren voor zijn boek verscheen in een Amerikaanse psychiatrische privékliniek, waar men psychotherapie centraal stelde in de behandeling van iedere psychische stoornis. Ook de psychotische mensen, vaak kort door de bocht weggezet als ‘schizofrenen’, probeerde men in het chique Chestnut Lodge met therapie te verlossen van hun waandenkbeelden en hallucinaties. Het idealisme spatte ervan af in dat boek, en er werd een verlangen in mij wakker dat ook te gaan doen. ‘Door mensen heen leren kijken’ was mijn wat kinderlijke fantasie.

Mijn ouders, die allebei niet hadden gestudeerd, wilden niets liever dan dat hun oudste zoon wel naar de universiteit zou kunnen gaan. Liefst om een nuttig vak te leren, zoals advocaat of dokter. Het lezen van het boek van Foudraine gaf het doorslaggevende zetje: dan ging ik wel geneeskunde studeren, maar met geen andere ambitie dan psychiater te worden. Hooguit zestien jaar zal ik geweest zijn, toen ik koos voor een loopbaan die mijn hele leven zou gaan kleuren.

Eind 2021, bijna veertig jaar na aankomst op de geneeskundefaculteit van de Vrije Universiteit, liet ik mijn registratie als psychiater vrijwillig verlopen. Precies een halve eeuw na het verschijnen van Foudraines beroemde en bij veel psychiaters beruchte boek. Ook ik schreef boeken die mijn persoonlijke visie op het prachtige vak en het belangrijke werk bevatten. Ik realiseerde me dat er grote overeenkomsten zijn tussen de overtuigingen van Foudraine en die van mijzelf.

De titel Wie is van hout… slaat op de psychiaters. Mijn laatste boek, waarin ik mijn afzwaaien toelicht, heet Gevoelsarm, en ook dat is een verwijzing naar de houding die de psychiaters zich eigen hebben gemaakt.

Ik besloot me verder te gaan verdiepen in Jan Foudraine. Dat werd me gemakkelijk gemaakt door het recente verschijnen van een (uitstekende) biografie, een heruitgave van Wie is van hout… en een persoonlijk contact met Marijke Foudraine-Kranenburg, de weduwe die waakt over de nalatenschap van haar man. En ik bestelde een tweedehands exemplaar van Bunkerbouwers, de laatste kritische beschouwing van Foudraine op de ontwikkelingen binnen ons vakgebied vanaf het verschijnen van Wie is van hout…

“De dissonante geluiden die Foudraine produceerde over het vak wilde men domweg niet horen.”

Bunkerbouwers verscheen in 1997; de auteur naderde toen de zeventig al. Het boek is niet meer nieuw verkrijgbaar, maar bij lezing bekroop mij het gevoel dat het dat wel zou moeten zijn: het is nog altijd goed leesbaar en onverminderd actueel. Jan Foudraine overleed in 2016, op 87-jarige leeftijd. Zijn vrouw Marijke zorgde dat de biografie er kwam, een hele kluif, want haar Jan was niet erg zorgvuldig geweest in het archiveren van de belangrijke gebeurtenissen in zijn arbeidzame leven.

Het eerste deel van de biografie las ik als een soort geschiedenis van de Nederlandse psychiatrie in de vorige eeuw. Alle grote namen uit het vak komen voorbij: Carp, Jelgersma, Bastiaans en recenter P.C. Kuiper (van de bestseller Ver heen, over zijn eigen depressie) en Frank van Ree, een nog veel grotere rebel dan Foudraine.

In het boek leer ik Jan kennen als een man die om te beginnen keurig doet wat vereist is om zijn diploma’s te halen. Maar: hij is ook iemand met een grote nieuwsgierigheid, een man die de grenzen van zijn vak wil verkennen. En die dat ook durft: hij is nog niet lang klaar met zijn opleiding tot psychiater als hij de boot neemt naar de Verenigde Staten, omdat hij daar wil gaan werken in een befaamde therapeutische kliniek in Maryland, Chestnut Lodge.

Terwijl ik het lees bekruipt me een gevoel van jaloezie. Zoiets had ik ook wel willen doen… Ik volgde mijn opleiding tot psychiater in de toenmalige Valeriuskliniek in Amsterdam-Zuid, een grote naam in het psychiatrische wereldje van Nederland. Maar niet daarbuiten. Bovendien was ik in die tijd veel behoudender dan Foudraine, en zou ik zo’n stap nooit hebben durven maken. Ook bevond ik me in een relatie met kinderen toen ik mijn opleiding afrondde. Foudraine was destijds vrijgezel, maak ik op uit de biografie.

In de jaren negentig, toen ik werd opgeleid, werden we door onze opleider, professor Willem van Tilburg, een beetje bang gemaakt voor Foudraine, die vlak bij het Valeriusplein zijn psychotherapiepraktijk had. Er deden slechte verhalen de ronde over de beroemde psychiater: hij zou psychotische mensen met ernstige paranoïde schizofrenie onbehandeld laten rondlopen. Met ‘onbehandeld’ werd dan bedoeld dat mensen die bij hem onder behandeling waren geen antipsychotische medicatie kregen, niet vrijwillig en al helemaal niet gedwongen. “Een spuit met Haldol is aanmerkelijk effectiever dan therapie bij Foudraine,” zei een van de psychiaters die mijn werk als arts-assistent superviseerde.

Ik wist niet beter of de ervaren mannen en vrouwen in de Valeriuskliniek hadden gelijk: een hersenziekte moet je behandelen met medicijnen. En ook al had de wetenschap het gen dat schizofrenie veroorzaakt nog altijd niet gevonden, dat het bij psychotische fenomenen per definitie om een hersenziekte zou gaan stond op dat moment bij mij niet ter discussie (bij de meeste psychiaters nu nog steeds niet). De eerlijkheid gebiedt ook te zeggen dat ik de afschrikwekkende verhalen over de praktijkvoering van Foudraine voor zoete koek slikte. Mijn ontzag voor de psychiaters die me opleidden was veel te groot, en dat die verhalen ook een verborgen motief hadden kwam niet bij me op. Men doodde liever de boodschapper dan de boodschap aan te horen of te aanvaarden. De dissonante geluiden die Foudraine produceerde over het vak wilde men domweg niet horen. Dat is later ook mijzelf overkomen: ook al had ik terechte kritiek, omdat ik niet deugde, hoefde men er niets mee.

Foudraine was iemand met een grote nieuwsgierigheid, een man die de grenzen van zijn vak wil verkennen

De Nederlandse psychiatrie heeft altijd moeite gehad met kritiek vanuit de eigen gelederen. Vrij standaard luidde dan de reactie dat degene die het eigen nest bevuilt zelf niet deugt. Dat het probleem van de klokkenluider zelf groter is dan de misstanden die hij/zij probeert aan te kaarten. Diskwalificatie van psychiaters die zich onttrekken aan het kuddegedrag verloopt bijna steeds hetzelfde: een persoonlijkheidsprobleem kenmerkt de criticus, iets specifieker: een narcistische persoonlijkheidsstoornis.

En laat ik daar helder over zijn: zonder voldoende ego ga je binnen zo’n rigide, hiërarchisch georganiseerde beroepsgroep ook echt niet uit de pas lopen. Foudraine was zeker een man die overtuigd was van zijn eigen gelijk, en die voldoende zelfvertrouwen had hier strijd over te voeren in het publieke domein. Want dat is ook zo’n teer punt: als je dan toch kritiek hebt, houd het dan in ieder geval binnenskamers. De vuile was hoort nooit op straat te belanden.

Tijdens het lezen van de biografie werd me pas volledig duidelijk dat er een zeer fundamenteel verschil van opvatting over de identiteit van de psychiater bestond tussen Foudraine en de gevestigde orde. Dat de opvattingen over het vak die Foudraine huldigde niet heel persoonlijk waren – vooral buiten Nederland waren er genoeg gelijkgestemde geesten –, maar dat ze wel haaks stonden op het denken van de overgrote meerderheid der Nederlandse psychiaters.

Foudraine vond psychotherapie de kern van iedere hulpverlening aan mensen met psychische problemen. Dat je onder omstandigheden genoodzaakt kunt zijn om medicatie te gebruiken bestreed hij geenszins, maar enkel als ondersteuning, nooit als oplossing. Maar juist in de decennia na het verschijnen van Wie is van hout… verloor zijn standpunt terrein ten opzichte van de zogenaamde biologische psychiatrie, waarin iedere klacht werd geduid als het symptoom van een ziekte in het brein.

En hoe hard hij hier ook tegen vocht, deze benadering werd enkel dominanter. Niet in het minst door beïnvloeding van gezaghebbende psychiaters door de farmaceutische industrie, die het zogenaamde medische model dringend nodig had om nieuwe genees-
middelen als Prozac en Seroxat ‘in de markt’ te zetten. Wie daar meer over zou willen weten raad ik aan om De depressie-epidemie van Trudy Dehue te lezen, dat in 2010 werd gepubliceerd, maar dat nog onverminderd actueel is.

Het promoten van de depressie als hersenziekte, vanuit een medisch model, verliep zeer succesvol. Terwijl al heel lang duidelijk is dat een depressie niet te herleiden is tot een verstoring van de balans van stofjes in de hersenen (neurotransmitters als serotonine en noradrenaline), doet dit sprookje nog steeds de ronde. En de dominantie ervan neemt eerder verder toe dan dat het meer nuance krijgt. Er komen doorlopend nieuwe hersenziekte-labels bij, niet alleen bij professionals, maar ook bij leken. Er worden publiekstijdschriften gevuld met beschrijvingen van het bijzondere brein dat mensen met uiteenlopende vormen van autisme (ASS, autismespectrumstoornis) of hoogsensitiviteit (HSP) zouden hebben. Dat de gekmakende gang van zaken in de hedendaagse maatschappij bij steeds meer mensen tot psychische klachten leidt wordt nauwelijks meegenomen. Niet de hoeveelheid prikkels (die al jaren exponentieel toeneemt) mag als probleem worden benoemd; de hersenen die zich er geen raad mee weten zijn afwijkend…

Nog iedere dag worden er tientallen mensen door hun huisarts of psychiater ingesteld op een SSRI (selectieve serotonine-heropnameremmers, de grootste groep antidepressiva), omdat ‘de serotonine te laag is’. Als ik vraag hoe mijn deskundige collega’s die te lage spiegel hebben vastgesteld, blijft het vaak even pijnlijk stil. Bij problemen met bloedsuiker of schildklierhormoon wordt er een bloedspiegel bepaald; dat je serotonine niet goed zou zijn moet je als patiënt maar gewoon aannemen van de dokter. Die weet wel wat goed voor jou is…

“De kracht én de tragiek van Foudraine is dat hij altijd is blijven staan voor psychotherapie als de essentie van het psychiater-zijn.”

Foudraine werd ondertussen weggezet als een representant van de antipsychiatrie, een beweging die in de jaren zeventig al haar hoogtepunt kende, met de film One Flew over the Cuckoo’s Nest als stereotype beeld. Foudraine was echter allesbehalve een antipsychiater: hij was kritisch, maar zeer overtuigd van het belang van de psychiatrie. Eerder pro dan anti.

Terwijl Foudraine in die laatste decennia van de twintigste eeuw dapper therapie bleef bedrijven in zijn bescheiden praktijk in Amsterdam-Zuid, werkte ik een paar honderd meter verderop aan een proefschrift, waarvan de meest geschikte behandeling van de paniekstoornis het onderwerp was. Seroxat, Anafranil of cognitieve therapie, vergeleken met een placebo. De diagnose paniekstoornis had rond 1980 de plek ingenomen van iets dat daarvoor bekend stond als het ‘hyperventilatiesyndroom’. Dat kwam door de wereldwijde introductie van het Amerikaanse DSM-systeem, de classificatiebijbel die tot de dag van vandaag de leidraad is voor alle doen en laten binnen de Nederlandse ggz. Zonder DSM-label is ‘evidence based’ behandeling van een psychische stoornis niet mogelijk. En, zo mogelijk nog belangrijker, wordt ook de behandeling niet vergoed door een zorgverzekeraar.

Door de keuze voor het biologische model zijn de Nederlandse psychiaters in 2022 steeds meer aan het vastlopen in een fuik, waar ze een halve eeuw geleden willens en wetens in zijn gezwommen.

De kracht van Foudraine, maar tegelijkertijd ook zijn tragiek, is dat hij altijd is blijven staan voor psychotherapie als de essentie van het psychiater-zijn. Hij werd er door collega’s om verketterd en hij sleet zijn professionele leven in behoorlijke eenzaamheid, lees ik in de biografie. Zijn pogingen om in de academische wereld of in een psychiatrische instelling een aanstelling te bemachtigen en te behouden strandden steeds. Zeker ook door zijn eigen complexe karakter met een bovengemiddelde mate van halsstarrigheid. Maar het contrast met de Amerikaanse jaren, waarin veel meer vanuit een groepsgevoel werd geopereerd, wordt wel pijnlijk duidelijk.

Het is ook voor mij herkenbaar: ook al werkte ik best lang in dienstverbanden binnen een ggz-instelling, het werden steeds meer werkplekken met weinig contact met andere psychiaters. De verslavingszorg – waar ik mijn laatste jaren als psychiater actief was –is weinig populair, en er zijn verhoudingsgewijs ook weinig psychiaters nodig. Medicijnen tegen verslaving bestaan niet echt, en psychotherapie is de belangrijkste behandeloptie. Daarom voelde ik me daar ook op mijn plek.

In de tweede helft van zijn leven, hij is al een beetje over de top van zijn roem heen, zoekt Foudraine verder naar de antwoorden op de meest essentiële vragen met betrekking tot het mens-zijn, en zo belandt hij, in hedendaagse termen, bij de spirituele kant van zijn werk, van therapeut zijn. Net als vele andere hoog-opgeleide mensen uit de westerse wereld gaat hij proberen zichzelf beter te doorgronden, het ego achter zich te laten en zingevingsvraagstukken van andere antwoorden te voorzien.

Zonder ooit te stoppen met zijn werk als psychotherapeut zoekt hij naar verdieping bij Osho, in die tijd vooral bekend onder de naam Bhagwan Shree Rajneesh, en vooral geportretteerd als een populistische sekteleider, die seksuele losbandigheid promootte en veel te veel Rolls-Royces had. In de jaren tachtig liepen er veel aanhangers van Bhagwan rond in Amsterdam, gekleed in rode of oranje jurken met kralenkettingen om. Ze reisden regelmatig naar India, waar in Poona een immens populaire commune was. Het tij keerde toen Bhagwan met zijn volgelingen besloot te verhuizen naar Oregon in de Verenigde Staten, en de beweging ten onder ging aan misstanden, rechtszaken en foute medewerkers.

De hele beweging rond Bhagwan kreeg nog eens uitgebreid aandacht toen Netflix er een paar jaar geleden een intrigerende documentaireserie over maakte (Wild Wild Country), maar was al een stille dood gestorven in de publieke opinie na het overlijden van Bhagwan in 1990. Foudraine werd al vroeg sannyasin en kreeg van Osho een nieuwe naam: Swami Deva Amrito. Hij distantieerde zich nooit van Bhagwans gedachtegoed.

Zonder ooit te stoppen met zijn werk als psychotherapeut zoekt hij naar verdieping bij Osho, in die tijd vooral bekend onder de naam Bhagwan Shree Rajneesh

Toen de beweging rond Bhagwan kleiner werd en de oranjerode gewaden uit het stadsbeeld verdwenen, stopte Foudraine niet met het bezoeken van zogenaamde ‘verlichte geesten’ (hij noemde ze zelf ‘mystici’). Hij onderhield vriendschappelijke contacten met een aantal mensen die hier hun leven aan wijdden, zoals in Nederland de vroeg overleden Alexander Smit. Dat hij hiermee de biologisch georiënteerde collega’s in Nederland van extra argumenten voorzag om hem niet serieus te nemen zal geen verbazing wekken. In gewoon Nederlands kreeg ik als jonge psychiater-in-opleiding te horen dat Foudraine gek was geworden. De ondertoon was eerder meewarig dan vijandig, en daarmee was het oordeel misschien wel nog dodelijker.

En dat brengt ons op een ander probleem: hand in hand met de keuze voor een medisch model voor het behandelen van psychische klachten ging de overtuiging dat de patiënten er belang bij zouden hebben om niets, of zo min mogelijk, te weten over de persoonlijke achtergronden van psychiater of psychotherapeut. Sterker nog: de zogenaamde ‘professionele distantie’ werd als een strenge verplichting onderwezen, vanwege het gevaar dat mensen zouden lopen als hun behandelaar deze niet zou betrachten. Persoonlijk werd gelijkgesteld aan gevaarlijk, zonder dat daar overigens ooit hard wetenschappelijk bewijs voor werd gevonden.

Foudraine zondigde ook tegen deze opvatting: hij schreef over psychotherapie als een persoonlijke, intieme ontmoeting tussen twee mensen. Hij noemde therapie zelfs een liefdesgeschiedenis, zonder seksuele connotatie overigens.

In Bunkerbouwers laat hij mensen schrijven over de therapie die ze bij hem, Jan, hebben gevolgd, en hoe persoonlijk dat was. Informeel ook, en niet gebonden aan kantoortijden.

Ik lees in dat boek mijn eigen overtuigingen, voel me bevestigd in de opvattingen die ook ik over het vak heb. En ik realiseer me dat ik me als jong ventje niet alleen heb laten inspireren door Foudraine om psychiater te worden, maar dat ik een vergelijkbare ontwikkeling heb doorgemaakt als hij, maar dan dertig jaar later. Mocht ik ooit hebben gedacht dat ik originele gedachten had, meer kennis over Foudraine stemt me nederig.

Het opgeven van mijn psychiater-zijn heeft me veel ruimte gegeven. En in lijn met Foudraine stort ik me inmiddels ook in spirituele verdieping. Geen idee wat het me gaat opleveren, en ook niet of het mijn werk als therapeut gaat beïnvloeden. Dat therapiewerk kan en mag ik nog steeds doen, ook al is het zonder medische diagnose en wordt het niet vergoed door een zorgverzekeraar.

Op dat punt blijf ik wel met een vraag zitten: je mag erop vertrouwen dat de kwaliteit van het werk van een psychotherapeut erop vooruitgaat als de man of vrouw zichzelf beter leert kennen. Het is een vak dat je met groter gemak en meer vertrouwen kunt uitoefenen naarmate je meer ervaring hebt. De overeenkomst met een goede rode wijn dringt zich op: rijping komt de smaak ten goede. De biograaf van Jan Foudraine, Alex Rutten, is een jonge neerlandicus die zijn hoofdpersoon niet persoonlijk heeft gekend. De vraag die ik Foudraine had willen stellen – en die in de biografie onmogelijk beantwoord kon worden – is: heeft die zoektocht naar zichzelf de psychiater veranderd als behandelaar?

‘Behandelaar’ is een term die hij zelf verafschuwde trouwens: “Ik behandel geen patiënten, ik ontmoet mensen.” Dat hij een ander mens werd is wel zeker, maar ging het er in de therapiegesprekken anders aan toe, werd hij beter in zijn werk? Natuurlijk wil ik dat weten vanwege de weg die ikzelf insla. Ook op dit punt is Foudraine een inspirator voor me.

“Mocht ik ooit hebben gedacht dat ik originele gedachten had, meer kennis over Foudraine stemt me nederig.”

In een recente recensie van de biografie in de Volkskrant wordt mijn held in de kop toch weer voorzien van het nare adjectief ‘omstreden’. Waar ken ik dat toch van? En de vraag wordt opgeworpen of het tijd is voor ‘een voorzichtig eerherstel’. Daar kan ik me dan toch echt over opwinden: Jan Foudraine heeft met ziel en zaligheid gestreden voor de psychotherapie als kern van het vak psychiatrie. Dat hij de strijd tegen de biologische psychiatrie niet heeft kunnen winnen is niet verbazingwekkend, als je de enorme macht en middelen van de belanghebbende partijen daarachter kent. Maar wat mij betreft verdient de man permanente verering.

Er resteert een belangrijke vraag: hoe moeten we verder? Het benaderen van psychische klachten vanuit een medisch model heeft voordelen gehad en vooruitgang gebracht, daar is geen twijfel over mogelijk. Maar de laatste jaren worden ook de beperkingen steeds duidelijker: het aantal mensen met psychische klachten neemt gestaag toe, en zorgelijk is dat het vooral jongeren betreft. Suïcide is de belangrijkste doodsoorzaak onder jonge mensen. Burn-out is een groot gezondheidsvraagstuk, maar zeker geen hersenziekte. Er zijn geen pillen tegen en de evidence-based cognitieve gedragstherapie (CGT) lost het niet op.

In mijn gedachten zou ik graag nog eens een kop koffiedrinken met de oude meester en hem de vraag voorleggen: ‘Hoe dan wel?’

Iemand die Foudraine persoonlijk heeft gekend zei tegen me dat het zo jammer was dat hij tot op hoge leeftijd een beetje verontwaardigd bleef. Of het klopt weet ik niet, het is ook maar een mening, maar zo wil ik straks in ieder geval niet herinnerd worden.

Mijn droom is een ander model in de psychiatrie en psychotherapie, dat nog niet eens het medische model hoeft te vervangen, maar dat wel een gelijkwaardige benadering biedt. Voor mezelf heb ik het ‘balansmodel’ gedoopt. Er wordt daarin niet gewerkt vanuit de hypothese dat psychische (en ook veel lichamelijke) problemen symptomen van een hersenziekte zijn, maar dat ze uitingen zijn van een verstoorde (emotionele) balans. Somberheid of angst hebben altijd een betekenis, een signaalfunctie, ze zijn niet per definitie abnormaal. De vraag aan de therapeut wordt dan: ‘help me dit te begrijpen’ in plaats van ‘help me hiervan af’. Dan zijn medicijnen hooguit een tijdelijk lapmiddel en is meer en dieper inzicht in het eigen verhaal van de mens die hulp vraagt het hoogste doel.

Lees het originele artikel in HP de TIJD (inclusief foto’s). 

 

Verdwenen ouders

De romanschrijver Philip Huff kreeg de laatste tijd veel aandacht vanwege het verschijnen van zijn autobiografische roman ‘Wat je van bloed weet’. Ik herkende bijna alles.

Het boek gaat over de sporen die een nare jeugd achterlaat. De ouders van Huff hebben hem niet kunnen geven wat het jongetje nodig had. En dan formuleer ik het netjes. Ik herkende bijna alles, het was mijn eigen verhaal in de woorden van een ander, met wat verschil in details.

Het deed me extra goed te lezen dat de ouders van Huff nog leven. Waarom? Ik ben dus niet de enige die over een belaste jeugd schreef zonder het overlijden van mijn ouders eerst af te wachten…

Mijn ouders hebben ‘Gevoelsarm’ vermoedelijk niet gelezen. Na een interview in de krant waarin ik vertelde als kind een gebrek aan liefdevolle aandacht te hebben ervaren, nog los van het feit dat er gemept werd, kreeg ik een bericht van mijn vader dat hij alle contact verbrak.

Dat is nu ruim drie maanden geleden.

Natuurlijk heeft het mijn ouders pijn gedaan, mijn verhaal in de krant. Maar in de reactie van mijn vader zit ook direct het probleem: het bevestigt dat het verhaal van zijn zoon, het verhaal van een kind (ook al is het 58 jaar) er nog altijd niet mag zijn. Het hoeft niet in de krant, dat standpunt begrijp ik. Maar: wat er staat is wel gebeurd.

In hetzelfde artikel vertel ik iets over mijn geschiedenis van seksueel misbruik, die begon toen ik 14 jaar was. Mijn ouders had ik hier nooit iets over verteld. Mijn verlangen, toen ik dat verhaal eindelijk naar buiten durfde te brengen? Liefdevolle aandacht voor wat er gebeurd is, terwijl ik thuis woonde en nog maar in de derde klas van de middelbare school zat… Nee dus, weer niet… Of: nog steeds niet…

We hebben nu ‘dus’ geen contact meer, mijn ouders en ik. Ze zijn bijna 87 en 81 jaar oud. Op hun manier houden ze van me, dat weet ik. En ze hebben gedaan wat ze konden voor hun kinderen. Daar ben ik ze dankbaar voor, en het was ook heel erg veel. Maar wat ze me niet hebben kunnen geven, en wat ik ongevraagd kreeg terwijl het niet goed voor me was, mag niet worden benoemd.

‘Waarom laat je het dan ook in de krant verschijnen?’ vroegen sommige mensen me. Omdat ik denk dat het niet anders meer kon. En omdat ik zelf ook wilde doen wat ik de getraumatiseerde mensen in mijn spreekkamer altijd adviseer: ga er voor staan, probeer niet het te verdringen, laat je de mond niet snoeren door je schuldgevoel, confronteer de mensen die je beschadigd hebben met wat ze hebben aangericht. Ook al hadden ze geen slechte bedoelingen, het is wel gebeurd.

Ik verlang niet naar excuses, ik zou erkenning willen. Maar ik ga er niet om smeken, ik ga ook mijn verhaal niet meer aanpassen. Als de straf ‘geen contact meer’ is, dan accepteer ik die. Het is onverdiend, maar ik ga niet, voor de zoveelste keer, proberen om te lijmen. Ik draag mijn eigen verdriet wel.

 

Psychiater Bram Bakker neemt afscheid van zijn beroepsgroep: ‘Wat een bevrijding’

Psychiater Bram Bakker neemt afscheid van zijn beroepsgroep: ‘Wat een bevrijding’

psychiater Bram Bakker neemt afscheid van zijn beroepsgroep

De bekende psychiater Bram Bakker heeft afscheid genomen van zijn beroepsgroep. Hij wil de psychiatrie nu van buitenaf veranderen. Mega-ambitieus, noemt hij dat zelf.

Psychiater Bram Bakker doet de dingen graag op zijn eigen manier: kritiek leveren op collega’s, met patiënten omgaan. Hij voelde zich lang als een topsporter die doping gebruikte, het ging goed, maar hij wist dat hij de dingen niet deed zoals het ‘hoorde’. Tot hij eind vorig jaar zijn titel als psychiater opgaf, zodat hij kan werken zonder regels.

“Wat een bevrijding: ik kan er gewoon mee doorgaan.”

In het najaar van 2021 moest zijn accreditatie worden verlengd, na lang aarzelen besloot hij het moment voorbij te laten gaan. Jarenlang bekritiseerde hij als zelfbenoemd ‘cowboy’ of ‘hofnar’ de ggz en collega-psychiaters. Zelf bleef hij ook niet bepaald onbesproken. Zo kwam hij in opspraak toen hij in 2005 een waarschuwing kreeg van het Medisch Tuchtcollege omdat hij had gezoend met een vriendin van een vrouwelijke patiënt en omdat hij een andere vrouwelijke patiënt in contact had gebracht met een van zijn vrienden. Nu concludeert hij dat het vak hem niet meer past. In het boek Gevoelsarm, dat hij bij wijze van afscheid schreef, legt hij uit hoe hij persoonlijk denkt over de dilemma’s in zijn vak. “Ik heb twintig jaar geprobeerd me te verhouden tot hoe het hoorde, en dat is niet gelukt”, vertelt hij in de behandelkamer van zijn eigen praktijk in Amsterdam.

Waarom past het vak je je niet meer?

“De afstand is te groot tussen wat ik denk dat goed of noodzakelijk is voor de klant (Bakker noemt mensen die hij helpt ‘klanten’, red.) en wat de bureaucratie van me vraagt. Ik moet steeds rekening houden met veiligheidskleppen, protocollen en registraties: dat zijn allemaal beperkingen die in mijn ogen de kwaliteit van zorg niet dienen. Ik geef bijvoorbeeld aan iedereen mijn 06-nummer, omdat ik denk dat het klanten helpt als ze mij midden in de nacht of in het weekend kunnen bereiken als ze me nodig hebben. Dat is tegen de protocollen. En al die appjes en telefoontjes buiten kantooruren komen natuurlijk niet in het elektronisch patiëntdossier terecht.

“Stel dat er iets misgaat – die kans is in dit vak altijd aanwezig – en er komt een klacht, dan duiken instanties op de bureaucratische kant van de zaak. Heb je het dossier wel op orde? In een tuchtcollege zitten collega’s en die je de les gaan lezen: dat je zo nodig op zaterdagnacht de reddende engel moest uithangen. Dat is overigens geen totale onzin. Maar het is wel wie ik ben.”

In je boek haal je een bevriende gepensioneerde psychiater aan die stelt dat uiteindelijk iedere psychiater zijn vak beoefent om zichzelf te leren kennen. Lange tijd was jij het daarmee niet eens.

“Ik denk dat de meeste psychiaters het daar niet mee eens zijn. We moeten tijdens de opleiding verplicht naar leertherapie om onszelf te doorgronden, maar ik merkte bij collega’s dat ze dat niet erg serieus namen. Zelf heb ik mijn hele leven therapeuten bezocht, omdat ik wilde begrijpen waarom ik er bijvoorbeeld niks van bakte met vrouwen, maar nooit linkte ik mijn eigen problemen aan het psychiater-zijn. Want psychiaters hebben met elkaar afgesproken: je eigen sores hou je buiten je werk. Volgens de beroepscode is het niet professioneel als de psychiater gaat zitten huilen wanneer de klant een vreselijk traumatisch verhaal vertelt.

“Tijdens mijn opleiding had ik een keer een T-shirt aan van een triatlon. Mijn supervisor, een traditionele psychiater, vond dat niet kunnen. Want de klant zou zien dat ik aan triatlon doe en dat zou reacties kunnen oproepen. Maar ik denk: ja, en jij hebt grote borsten, die kun je ook niet verbergen. Die roepen óók wat op. Tegenover je zit een mens, met allerlei kenmerken waartoe je je moet verhouden. Natuurlijk moet je nadenken over hoe je overkomt op klanten, maar het heeft geen zin om alles dicht te timmeren met regeltjes.

“Ik dacht dat ik in dit vak enkel werd gedreven door de interesse in andere mensen, maar stiekem was ik ook met mezelf bezig. Stel je zit tegenover iemand die je doet denken aan je vader of moeder: dan gebeuren er allemaal dingen met je. Maar de voorschriften zijn: die gevoelens mogen geen rol spelen, je trekt de juiste pillen uit de kast, adviseert cognitieve gedragstherapie en het maakt niet uit wat je er zelf bij voelt. Maar voor mij maakt dat wél uit! Als ik iemand aardig vind, ben ik gewoon een betere behandelaar dan wanneer iemand mij irriteert. Psychiaters zijn namelijk ook mensen. Maar dat is een taboe.”

Dus nu wil je niet meer behandelen zonder je eigen gevoelens erbij te betrekken?

“Het werd me steeds meer duidelijk dat ik m’n persoon meeneem naar mijn werk. Ik heb er altijd met het grootste gemak dingen uitgeflapt over mijn eigen leven. Als ik hoor dat een klant worstelt met de opvoeding van zijn kinderen, dan ga ik me toch niet inhouden om iets over mijn eigen kinderen te vertellen wanneer ik denk dat dat helpt? Maar het moet wel functioneel zijn. Ik zou mezelf een enorme pannenkoek vinden als ik het alleen maar over mezelf ga hebben.”

Bakker is groot liefhebber van de uitdrukking dat bij de loodgieter thuis de kraan lekt, schrijft hij in Gevoelsarm, omdat dat ook voor hem opgaat. Zo ziet hij pas na veertig jaar in dat zijn jeugd traumatisch was en dat hij daar nog steeds door wordt beïnvloed. “Ik realiseerde me dat ik in de basis echt weinig verschil van de mensen die ik in mijn werk probeer te helpen”, schrijft hij. Wanneer hij zijn geliefde het stadje laat zien waar hij opgroeide, barst hij bij de aanblik van een kerktoren onverwacht in tranen uit. Hij wordt letterlijk overvallen door zijn gevoel. “Het was heel heftig. Ineens was ik weer het jongetje dat eenzaam en ongelukkig naar school rijdt. Ik wist heus wel dat mijn kindertijd niet fijn was – ik werd gepest en had geen vriendjes – maar ik wist het in mijn hoofd. Ik was me niet bewust van de ernst tot ik het gevoel zo intens aan den lijve ervoer.”

Wat kun je daarmee als behandelaar?

“Je kunt alles wel rationeel benaderen, maar het gevoel zit veel meer in je lichaam dan in je hoofd. Het lichaam is dus een heel belangrijke informatiebron. De psychiatrie is daar ver, ver vandaan geraakt met z’n pillen en cognitieve gedragstherapieën. We spreken mensen vooral aan op hun hoofd en het verstand: het gevoel zit ergens diep weggestopt. Anders dan tien jaar geleden zeg ik nu tegen klanten: ‘Ik hoor wat je zegt, maar ik voel het niet’. Ik maak nu ook gebruik van niet-wetenschappelijk bewezen lichaamsgerichte technieken om mensen met hun gevoel in contact te laten komen.”

Je begeeft je richting het alternatieve circuit?

“Mensen die vinden dat het anders moet in de zorg worden nog steeds erg geframed als alternatievelingen of kwakzalvers. Ik denk dat ik een brug kan zijn tussen die twee werelden. Hetzelfde geldt voor een kruidenvrouwtje dat besluit alsnog psychologie te gaan studeren: je moet bereid zijn te zien dat er in die andere wereld óók kwaliteiten liggen.

“Ik zal nooit tegen iemand die zwaar manisch depressief is zeggen dat hij vooral geen lithium moet nemen. Doe gewoon lithium, ik weet dat dat werkt. En we moeten ook ons verstand blijven gebruiken. Alleen, de volgorde moet zijn: begin bij het gevoel, en eindig bij het verstand. Terwijl de heersende opvatting is dat verstand het allerhoogste is, en dat gevoel daarbij niet vereist is. Dat klopt niet.”

Wat ga je nu doen als niet-psychiater?

“Ik ga niet meer van binnenuit het zorgstelsel bekritiseren, maar ik wil proberen het van buitenaf te veranderen. Dat is mega-ambitieus – ik zeg ook niet dat het gaat lukken. Samen met anderen ga ik een platform bouwen, een soort Airbnb waarop mensen met een hulpvraag iemand kunnen vinden die hun hulpvraag kan beantwoorden.”

Een professioneel iemand?

“Een bekwaam iemand. Wat professioneel is, bepaalt de klant. En wie er op dat platform mogen, bepaal ik. Dat zijn niet per se de mensen met bepaalde diploma’s of registraties, al moeten ze wel een Verklaring Omtrent Gedrag hebben.”

De hulpverleners op het platform kunnen volgens Bakker uiteenlopen van yogaleraren en ademhalingsexperts tot maatschappelijk werkers en psychologen. Het kan een sportschoolhouder zijn die een cursus runningtherapie heeft gevolgd, een door Bakker ontwikkelde wetenschappelijk bewezen methode om psychische klachten te verminderen via hardlopen, een stewardess met veel levenservaring die op latere leeftijd psychologie is gaan studeren, of ‘teleurgestelde psychiaters’ zoals Bakker zelf die dreigen het vak te verlaten. De kwaliteit wordt volgens hem gewaarborgd door klanten structureel te vragen of ze tevreden zijn – net zoals Airbnb en booking.com dat doen. “Als klanten doorlopend negatief over iemand rapporteren, gaan we in gesprek met die aanbieder.”

Dit kan niet worden vergoed voor de zorgverzekeraar. Jullie gaan alleen mensen helpen die het kunnen betalen?

“Ik wil niks met zorgverzekeraars te maken hebben, want die eisen een diagnose en die is helemaal niet nodig om iemand te helpen. Een deel van de winst storten we in een pot die we gebruiken om mensen te behandelen die het niet kunnen betalen – met één voorwaarde: ze moeten goed kunnen motiveren waarom ze specifiek die hulp willen.”

Alleen voor mondige patiënten dus?

“Je kan niet iedereen bedienen. Het gaat erom dat we voor zoveel mogelijk mensen zorg willen bieden die bij hen past. Ik vind dat klanten wat te kiezen moeten hebben. Bij de reguliere ggz is er geen sprake van vraag en aanbod: er is alleen maar vraag. Het is daar als een Oost-Europese supermarkt in Sovjettijd. De exploitant zegt: ‘Kijk hoe populair onze winkel is, want er staan lange rijen voor’. Maar eenmaal binnen ligt er niks in de schappen. Al decennia lang probeert de ggz het hoofdzakelijk met cognitieve gedragstherapie en medicatie, echt radicale innovaties heb ik al die tijd dat ik er rondliep niet meegemaakt. Ik gun iedereen prozac als het werkt, maar we moeten nadenken over al die mensen die dat al lang geprobeerd hebben.”

 


 

Oorspronkelijk gepubliceerd in Trouw. Lees het artikel in Trouw.

 

‘Gevoelsarm’  – Bram’s boek over zijn afscheid van de psychiatrie-  is te bestellen bij Uitgeverij Lucht of gewoon hier (dan krijg je een gesigneerd exemplaar).

 

‘Laat zo min mogelijk van jezelf zien’

Het was wel even spannend. Je laten interviewen door een schrijver die je kent en waar je je vriendschappelijk toe verhoudt…

Maar goed, eerder stelde ik Elvin Post vragen voor mijn podcast, en zo’n aardige man kun je niets weigeren. Ik ben benieuwd wat jullie er van vinden, naar mijn idee is het een prachtige ondersteuning bij wat ik heb geprobeerd te doen in ‘Gevoelsarm’…

thnx Elvin

Bram

Lees hier het interview ‘Laat zo min mogelijk van jezelf zien’. 

 

Afscheidscollege

Afscheidscollege

Dat ik mijn registratie als psychiater liet verlopen is geen ramp. Het was een vrijwillige keuze.

En zo’n twee maanden nadat het officieel voorbij is voel ik nog altijd geen enkele spijt over dat besluit. Maar verdrietig vind ik het toch ook nog steeds, een licht zeurend pijntje in de bovenbuik meldt zich af en toe. Het voelt als een relatiebreuk: misschien onvermijdelijk, maar wel de scheiding van een grote liefde.

Ik had graag gezien dat het anders was gelopen. Dat ik gewoon met pensioen was gegaan, dat er een receptie was, en een etentje met de meest directe collega’s. Een dankwoordje met een paar kritische noten door de directeur, met humor gebracht: het had me echt wel wat geleken.

Kauwend op het bovenstaande verzon ik een list: ik organiseer mijn eigen afscheidsfeestje. Ik doe net alsof ik via de voordeur afzwaai, met een afscheidscollege dat in de regel alleen is voorbehouden aan de mannen en de vrouwen op de meest prominente plekken van het vak, de hoogleraren. Ik hoor het jullie wel denken hoor, weer die narcistische trekken. Eerst aandacht vragen via ‘Gevoelsarm’, een boek vol veel te persoonlijke ontboezemingen en dan ook nog de stand van zaken in het vak publiekelijk willen duiden.

En toch wil ik het er nog een laatste keer over hebben dat we onze oren te veel hebben laten hangen naar de farmaceutische industrie, dat behandeling met cognitieve therapie wel flinke vooruitgang kan opleveren, maar nooit de onderliggende trauma’s geneest.

Dat de vorm (qua tijd en aandacht) de inhoud van het werk is gaan overheersen, dat DSM-stickers in het dagelijkse leven geen enkele betekenis hebben en dat depressie misschien wel gepaard gaat met gestoorde hersenfuncties, maar dat lang niet zeker is of dat wel de kern is van stemmingsproblemen.

Krijg je er al zin in, als je dit leest? Ikzelf wel gelukkig…

Waar zo’n college meestal mee eindigt is een beschouwing van de afzwaaiende autoriteit over de toekomst: waar moeten we heen met het vak?

Een paar thema’s, als opwarmertje:

Het lichaam verdient een veel prominentere plaats. Niet in plaats van de aandacht voor het brein, maar wel daarnaast. En gelijkwaardig. Runningtherapie is gelijkwaardig aan antidepressiva, lichaamswerk doet niet onder voor inzichtgevende therapie.

De grootste gemene deler onder de meeste psychische problemen, een beschadigende gang van zaken in de jonge jaren, verdient naar mijn overtuiging aandacht bij iedere kwaal: mensen met een paniekstoornis, anorexia nervosa of een alcoholprobleem lijken veel meer op elkaar dan dat ze verschillen.

En als uitsmijter: behandeling is maatwerk. Zorg is het product van de relatie tussen twee mensen, die samen werken aan het kloppend maken van het verhaal van één van hen, de hulpvrager. Dat vereist een klik, weet iedereen. Dat kan zelfs binnen grootschalige ggz-instellingen worden bewerkstelligd, als we tenminste bereid zijn te investeren in onderzoek naar de manier waarop je de kans op zo’n klik maximaal maakt.

Daarin zou technologie belangrijke ondersteuning kunnen bieden, zonder de essentie van het vak aan te tasten: de veilige ontmoeting, het gesprek over de zaken des levens die pijn veroorzaken.

Iedereen, ook ex-collega’s, is welkom op zondagmiddag 12 december in het Posttheater in Arnhem. Via een livestream kijken kan ook, we leven in tijden van corona.

Check de website van dit fijne theater!

p.s. er zijn ook bijdragen van Sanne Winchester – Goemans en Fimme Bakker

 

De opbrengst gaat naar ‘Groeien door te delen’, het project van Allard Droste.

Vaarwel psychiatrie!

Een enquête onder psychiaters bracht onlangs aan het licht dat liefst één op de drie overweegt het vak te verlaten. Zelf hoor ik daar niet bij, want ik ben al vertrokken…

Daar ging een lang proces aan vooraf, dat ik beschreef in een boek, Gevoelsarm.

Bram Bakker gevoelsarm

Maar niet iedereen weet daarvan of leest dat boek, dus verzin dan eens een beknopt antwoord op de vraag waarom je een vak verliet waar je zo dol op bent. Ik doe een poging, waarbij een onderscheid tussen twee soorten argumenten behulpzaam kan zijn.

Werkplezier

Allereerst zijn er de beperkingen die los van mij als persoon het werkplezier van vrijwel iedere psychiater verminderen: de wetten en regels met bijpassende verantwoordelijkheden (en risico’s) die maar blijven toenemen. Bureaucratie, administratieterreur, hoe je het ook noemt, de tijd die moet worden besteed aan niet-patiëntgebonden werkzaamheden is enkel gegroeid de afgelopen jaren. Zonder dat de patiënt er beter door geholpen werd of de dokter een betere behandelaar.

Psychiaters besteden steeds meer tijd aan het plakken van diagnostische stickers ten behoeve van een zorgverzekeraar of het aanmaken van elektronische recepten voor mensen die ze vaak amper kennen. Steeds meer psychiaters ontvluchten het dienstverband om nog enige controle over de eigen werkzaamheden te behouden. Mij werd het teveel: ik wil mensen helpen, geen procedures volgen. Me geen slaaf voelen van een log en onpersoonlijk systeem.

Trauma

De tweede argumenten-categorie betreft het onpersoonlijke dat in de ggz (en misschien wel de hele zorg) domineert. Ik ben zelf minstens zo getraumatiseerd als veel van mijn klanten. Uiteraard wil ik ze daar niet mee lastig vallen, maar: ik heb ook geen zin meer (of geen energie) om te doen alsof bij mij persoonlijk alles perfect op orde is, in mentaal opzicht. Ik werd opgeleid met ‘professionele distantie’ als mantra. Zonder dat deze houding ooit ‘evidence based’ is bevonden.

“Psychiaters besteden steeds meer tijd aan het plakken van diagnostische stickers ten behoeve van een zorgverzekeraar…”

Mijn persoonlijk behoefte was tegenovergesteld: maximale betrokkenheid, minimale ongelijkheid in een persoonlijk contact. Hoe meer ik mezelf durfde te zijn, hoe beter ik werd… Met altijd de angst voor het tuchtcollege dat je al een sanctie oplegt als je van een richtlijn afwijkt. Ik heb mezelf bevrijd, en misschien heb ik ook de psychiatrie bevrijd van mij….

Ik blijf overigens gewoon zorgverlener, maar met beperkte status: arts en oud-psychiater. Om de cirkel rond te maken houd ik een heus afscheidscollege. Je bent van harte welkom, live of online….

Meer over het afscheidscollege lees je hier (er zijn nog tickets te koop, ook voor de link van de stream).

Deze column werd oorspronkelijk gepubliceerd op Meer over Medisch.

 


 

‘Gevoelsarm’ is te bestellen bij Uitgeverij Lucht of gewoon hier.  

 

Blijf-Beter!Welkomsgeschenk

Meld je vandaag nog aan voor Bram's maandelijkse nieuwsbrief en ontvang zijn boek Blijf Beter! (in pdf).

Mis 'm niet!