De dekmantel van een narcist

De dekmantel van een narcist

Mirjam Vriend en Bram Bakker corresponderen maandelijks over de geestelijke gezondheidszorg. Dit is de tweede aflevering.

De vraag die je jezelf zou moeten durven stellen, en de meest mensen willen dat niet, is waarom je zo’n zestiger wegzet als narcist.

Beste Bram,

Is een narcist enkel door zichzelf te stoppen? Ik ben mateloos gefascineerd door de narcist. Het heeft de kosmos behaagd om een paar fraaie exemplaren op mijn pad te brengen, waar enkele deuken in mijn persoontje de stille getuigen van zijn. Zo weet ik inmiddels dat je een mooi exemplaar niet alleen aan de top van een of andere indrukwekkende sociale piramide kunt aantreffen, maar net zo goed als vrijwilliger in een vluchtelingenkamp of op de poezenboot. Als-ie maar iets betekent, nietwaar…

Des te frustrerender is het dat ik nog steeds geen idee heb hoe hij tijdig onschadelijk kan worden gemaakt… Je wapenen tegen een naderende epidemie of storm lijkt mij vooralsnog makkelijker.

Dit brengt mij bij het griezeligste aspect: een narcist kan met zijn gezicht onder de kruimels en chocolade-vegen en met één hand in de koektrommel worden aangetroffen, terwijl intelligente toeschouwers glashard blijven volhouden dat hij de koekjesdief niet is.

Ooit stond ik in een kamer vol mensen met hoge koorts. Zo zagen ze eruit: rode konen, fonkelende ogen. Het was een feestje, en op dat feestje was een bijzonder persoon te gast. Ze was naar Nederland gekomen met een bijzondere spiritueel-wetenschappelijke revelatie(sorry voor alle cursieve passages, Bram, een literair zwaktebod, zeker, maar als het over de narcist gaat ontkom je daar niet aan, want alles is zo f*cking bijzonder). De twee met haar meereizende zonen waren ook heel bijzonder, gilde iedereen, dat waren reïncarnaties van bijzondere iemanden (niemand is ooit de reïncarnatie van een loodgieter uit Putten).

Nadat mij de eer te beurt was gevallen van een één-op-één gesprek van een half uur met de bijzondere persoon was mij nog steeds niets duidelijk over haar bijzondere revelatie. Ook niemand anders kon het me uitleggen, maar niemand vond dat een probleem. Ze spraken van een prachtige, lichtgevende vrouw. Ik zag een vrouw met vet haar en een slecht onderhouden gebit. Ze vonden haar jongens net engelen. Mij leken ze behoorlijk depressief. Ze vonden haar een reizende redder. Ik zag een dakloze, voortgejaagde parasiet. Verder vroeg ik mij af waar de vader van de jongens was in dit alles en hoe het met hun leerplicht zat (deze reis was duidelijk langer dan een gemiddelde vakantie); hopeloos saaie en irrelevante vragen natuurlijk, die ik wijselijk voor me hield.

Opeens verstomde de gonzende opwinding. Het was stiller dan tijdens de Dodenherdenking toen ZIJ met zachte, slepende stem tot ons sprak. Ze vertelde hoe fijn het is om lekker rommel te maken en dat dan niet op te ruimen. Dat was het. De koortsigen knikten traag, met open mond.

Gaandeweg de avond diende zich een klein praktisch probleempje aan: het nieuwste wereldwonder en haar twee premium reïncarnaten hadden nog geen slaapplaats voor de nacht. Men struikelde over elkaar heen om die aan te bieden. Enkele weken later lunchte ik met de gastvrouw van die koortsige feestavond. Zij vertelde mij dat de logeerpartij van de uitverkorene en haar engelenkinderen voor het onderdak verschaffende echtpaar niet zo prettig verlopen was; hun verblijf was aardig langer geworden dan verwacht, het uitverkorene wezen voerde vrij weinig uit, behalve dan dat ze de laatste avond door de gastvrouw naakt bovenop de gastheer werd aangetroffen. Dit kon haar niet kwalijk genomen worden, zei de uitverkorene, want ze was op dat moment bezeten door een goddelijke entiteit.

De truc van de narcist is zo doorzichtig als de nieuwe kleren van de keizer in het gelijknamige sprookje. Ik moet me altijd weer inhouden om niet dat kleine jongetje te zijn dat als enige tussen de juichende menigte gilt dat de keizer niets aanheeft. Dat is zinloos…..

Hoe pakt de narcist ons in? Dit is mijn zelfgebreide analyse; De narcist lijkt een quick fix te brengen voor de grauwe alledaagsheid. En voor processen die tergend langzaam verlopen omdat er voor gewetensvolle mensen nou eenmaal ‘meerdere kanten’ aan zitten. Wij, gewone stervelingen, rommelen goedbedoelend voorwaarts, zoals het leven nou eenmaal is….

Dan komt de narcist binnenzwieren. Hij durft wat wij niet durven, omdat wij schaamte kennen en hij niet, omdat wij een geweten hebben en hij niet, omdat wij vinden dat ons handelen goed door feitenkennis moet worden onderbouwd en hij niet, en omdat ie zo’n sexy, hongerig, entertaining, levenslustig ding is.

Dit lijkt mij in een notendop het geheim van zijn gekke charme waarover ik het eerder had: wij bewonderen wat we zelf niet durven te zijn. Opeens gebeurt er wat. We leven weer, de adrenaline raast weer door onze stoffige aderen. Dat er brave lieden sneuvelen, principes sneuvelen, zwaarbevochten allianties sneuvelen: spijtig, maar collateral damage. De narcist is nergens zonder zijn behekste voetvolk… maar ook die bereik je niet op tijd…

Is het hopeloos? Moet je elke keer gelaten wachten tot zijn uitspraken en daden zó belachelijk worden dat er ein-de-lijk een paar mensen ontwaken? Kunnen we op scholen geen verplichte cursus “herken de narcist” aanbieden? Kunnen we het erover eens zijn dat zij een niet te onderschatten bedreiging voor het welzijn van mens, dier, vegetatie, aarde en kosmos zijn? Is er een uitweg, Bram?!

Ha die Mirjam,

De eerste en meest voor de hand liggende reactie zou zijn om jouw beschrijving van deze mevrouw weg te zetten als subjectief en erg persoonlijk. Dat is een zeer veel toegepaste strategie om een boodschap van lading te ontdoen: het zegt meer over de boodschapper dan, etc… Uit het verloop van het verhaal wordt echter duidelijk dat je van meet af aan voelde dat er iets niet klopte. En dat fenomeen zien we veelvuldig optreden waar het narcistische mensen betreft: je voelt dat er iets niet klopt, maar laat je overdonderen, denkt dat het wel aan jou zal liggen.

Ik vind narcisme een fascinerend thema. En ik twijfel er niet aan dat er mensen zijn die het in ziekelijke mate hebben. Tegelijkertijd: het is niet zelden een etiket, dat wordt ingezet door mensen die zich machteloos voelen. De vrouw die tegen mij zegt dat haar ex-man, met wie ze vijfentwintig jaar van haar leven heeft gedeeld en met wie ze drie kinderen heeft, ‘een grote narcist’ was, zegt toch minstens zoveel over haarzelf?

Om te beginnen ben ik overtuigd dat ieder evenwichtig mens narcistische trekken heeft. Het draagt bij aan ons functioneren namelijk en zolang niemand zich eraan stoort wordt het ook van veel aardiger labels voorzien, zoals ‘gezond zelfvertrouwen’ en ‘weet wat-ie kan’.

Er is een vakterm die mij persoonlijk veel meer boeit in dit verband, en dat is ‘narcistische afweer’. We hebben als mensen een uiteenlopend arsenaal aan gedragingen waarmee we kunnen reageren op uitdagende omstandigheden. Als je bedreigd wordt (of dat gevoel hebt) kun je bijvoorbeeld duiken (vermijdingsgedrag) of direct de aanval kiezen. In dat laatste geval realiseert de omgeving zich vaak niet eens dat er een gevoel van bedreiging vooraf ging aan agressief gedrag.

Als mensen zich onzeker voelen, twijfelen, of diep van binnen overtuigd zijn dat ze helemaal niets voorstellen is een veel voorkomende reactie dat ze dat proberen te camoufleren door de nadruk te vestigen op wat ze goed kunnen. Of héél goed kunnen. Niet iedereen slaagt daar even goed in, en in de minst succesvolle vorm wordt het al snel een beetje lachwekkend, of treurig. Opnieuw afhankelijk van het perspectief van degene die het waarneemt.

Een vierjarige die tegen iedereen roept: ‘Kijk eens wat ik kan’ vinden we vaak vertederend. Een zestigjarige man met fors overgewicht die in een peperdure Porsche rondrijdt met een dertig jaar jongere blondine naast zich vinden we meestal niet zo leuk. Terwijl de onderliggende mechanismen waarschijnlijk overeenkomstig zijn: behoefte om gezien te worden, als volwaardig worden beschouwd, niet onzeker hoeven zijn, etcetera.

De vraag die je jezelf zou moeten durven stellen, en de meest mensen willen dat niet, is waarom je zo’n zestiger wegzet als narcist. Hij moet toch ook een paar dingen goed hebben gedaan in dit leven? Anders had hij die auto niet kunnen betalen. En was die jongedame waarschijnlijk niet ingestapt…

Mensen met bovengemiddeld veel narcistische trekken zijn vaak ook bovengemiddeld succesvol in maatschappelijk opzicht. En dat roept niet zelden gevoelens van jaloezie op bij mensen in hun omgeving. Waarom zou je eigenlijk geen bewondering kunnen hebben voor iemand die zijn fundamentele twijfels aan zichzelf heeft weten te vertalen in een glansrijke carrière? Persoonlijk heb ik er altijd wel een zwak voor, in ieder geval zolang iemand nog contact kan maken met het vertrekpunt van het eigen succesverhaal: twijfel en onzekerheid.

Het wordt echt vervelend als mensen geen contact meer kunnen leggen met die kwetsbare kant, diep van binnen. En zelf vind ik het dan ook altijd een beetje zielig, wat vast weer heel veel over mij zegt… Het clichébeeld dat ik er bij heb is dat van de wereldberoemde voetballer of kunstenaar, die denkt dat het uitzonderlijke talent op een bepaald gebied ook direct inhoudt dat ze een heel bijzonder mens zijn. Natuurlijk werkt het op een ongunstige manier in op je karakter als je van jongs af aan te horen krijgt hoe bijzonder je wel niet bent, maar vanuit psychologisch perspectief is het aanbevolen dat nooit te gaan geloven.

We houden stiekem toch allemaal het meest van mensen met bijzondere talenten, die verder ‘gewoon’ zijn gebleven? En is het ook niet zo dat je mensen helpt zichzelf wat minder op te blazen door ze zonder omhaal te complimenteren met waar ze goed in zijn?

Er speelt ook nog een culturele component, naar mijn gevoel. In de Verenigde Staten is succes veel geaccepteerder en worden mensen die het hebben gemaakt ook minder snel weggezet als narcist lijkt het. Is het niet ook onze eigen beperktheid die ons er toe aanzet de mensen die zich aan het gemiddelde onttrekken te diskwalificeren? Als je in een klein, dichtbevolkt land waar de grijze middelmatigheid de stilzwijgende norm is, je kop boven het maaiveld uitsteekt volgt er reactie. En één van de meest voor de hand liggende is iedere paradijsvogel wegzetten als ‘narcist’.

Wat zegt dat over ons?

Lees de originele column en reacties op Joop.nl

 


 

‘‘In het wetenschappelijk onderzoek in de geneeskunde speelt de financiering een veel te grote rol’’

– BB

Lees meer

Medische wetenschap is vaak een commercieel project

Bram is vaste columnist voor gezondheidsplatform ‘Meer over medisch’. Hieronder zijn column

Een prominente huisarts stelde onlangs dat hij leefstijlinterventies pas serieus wil nemen als de werkzaamheid in een zogenaamde Randomized Clinical Trial (RCT) is bewezen. Bijvoorbeeld: er zijn aanwijzingen dat er een verband is tussen de bloedspiegel van Vitamine D en het risico op kanker. Een hogere spiegel zou een beschermend effect kunnen hebben, is de gedachte.

In zo’n (vertaald) ‘gerandomiseerd klinisch onderzoek’, zou je mensen bij loting moeten verdelen over twee groepen: een groep waarbij je niets bijzonders doet, en een groep waarbij je met suppletie zorgt voor een gegarandeerd hoge spiegel Vitamine D. Om eventuele verschillen op te sporen heb je grote groepen nodig, en je moet de deelnemers langdurig volgen: een mogelijk verschil zou pas na maanden of zelfs jaren statistisch significant kunnen worden.

Gouden standaard

Het is begrijpelijk, en ook principieel goed verdedigbaar, dat deze collega zoveel waarde hecht aan dergelijke gerandomiseerde studies, die alom worden beschouwd als de gouden standaard om medische interventies op hun waarde te beoordelen.

“Veel Randomized Clinical Trials in de geneeskunde worden nog altijd gefinancierd door commerciële partijen met een zakelijk belang.”

Maar, wie gaat dit onderzoek financieren? Ook al zijn er uit dierproeven serieuze aanwijzingen naar voren gekomen dat het bovengenoemde voorbeeld interessant en relevant is, het geld om een dergelijk onderzoek uit te voeren (we hebben het over tienduizenden euro’s) zal moeilijk te vinden zijn. Vitamine D is namelijk spotgoedkoop, en een vitamineproducent zal deze investering niet willen doen. Ook al zijn de uitkomsten zeer positief, de kosten van het onderzoek ga je nooit terugverdienen. Je zou natuurlijk kunnen proberen om het geld bij onafhankelijke financiers, patiëntenverenigingen of de overheid los te peuteren, maar de kansen zijn klein, en het maken van een solide onderzoeksvoorstel is op zichzelf al een kostbare investering in tijd en geld.

Patent

Veel Randomized Clinical Trials in de geneeskunde worden nog altijd gefinancierd door commerciële partijen met een zakelijk belang. En dan hebben we het eerst en vooral over farmaceutische bedrijven. De investering in een nieuw geneesmiddel, waar een patent op rust, en dat daardoor eigenlijk altijd zeer prijzig is, wordt vooral terugverdiend door artsen te overtuigen dat het nieuwe medicijn iets toevoegt aan het bestaande behandelaanbod. En veel artsen zijn pas te overtuigen met behulp van een RCT met overtuigende uitkomsten. Zoals gezegd: een te billijken standpunt.

Maar: wat er wel of niet wordt onderzocht in zo’n trial is dus nogal willekeurig. De financiering weegt veel zwaarder dan menig arts zich realiseert.

Op puur inhoudelijke gronden worden serieuze onderzoeksvragen helaas zelden voorzien van de benodigde middelen om ze uit te voeren. Je zou zelfs kunnen spreken van een zekere mode in medische uitkomststudies. Toen de selectieve serotonine remmers (SSRI’s) als nieuwe antidepressiva werden geïntroduceerd werd er heel veel onderzoek gefinancierd. De vragen met betrekking tot de behandeling van depressies en angststoornissen zijn er nog volop, maar sinds het patent van deze selectieve serotonine remmers is verlopen worden er nauwelijks meer RCT’s mee gedaan…

SSRI’s zijn commercieel niet meer interessant en voor onderzoekers ‘dus’ uit de mode. Treurig.

 

Deze column werd oorspronkelijk gepubliceerd op Meer over Medisch.

 

 

Een gesprek over veerkracht met Stine Jensen en Bram Bakker

Een gesprek over veerkracht met Stine Jensen en Bram Bakker

Het discussieplatform ViaJacobi duikt in het thema veerkracht en zet een gesprek op tussen Stine Jensen en Bram Bakker.

Wat betekent veerkracht voor jou? Hoe veerkrachtig ben jij? En wat is kenmerkend voor een veerkrachtige samenleving?

Dit najaar staat bij ViaJacobi het thema Veerkracht centraal. Via debat, avonden over oude en moderne inspiratiebronnen, vespers en een retraite gaan we met elkaar in gesprek over dit thema.

 

 

 

Zwijg nooit een suïcide dood

Natuurlijk is het niet verstandig om in te zoomen op details, maar is het ook wijs om de emoties in de omgeving geen aandacht te geven?

In de stad waar ik woon zijn de afgelopen jaren tenminste twee middelbare scholieren overleden door suïcide. Ook een zeer ernstige, maar gelukkig mislukte poging tot zelfdoding zorgde voor veel rumoer onder de scholieren op de betreffende school. Mijn eigen kinderen, die allebei op andere scholen zitten, vingen de berichten ook op, via de onvermijdelijke sociale media. Ze waren merkbaar onder de indruk en hadden vragen voor me.

Uiteraard waren de leidinggevenden en leerkrachten op beide scholen geschokt, en ook in verwarring. Wat moeten we hiermee? Aan goede bedoelingen geen gebrek, maar wat is wijsheid?

Er bestaat een wijd verspreid idee dat suïcide besmettelijk kan zijn. Onder professionals wordt dit het Werther-effect genoemd: de zelfverkozen dood van een beroemdheid zou kwetsbare mensen inspireren om het gedrag van hun idool na te bootsen. Er wordt ook wel gesproken van ‘copycat-gedrag’.

“De ervaring leert dat het kunnen delen van lastige emoties vaak al heel veel lucht geeft. Dan is er nog helemaal geen probleem opgelost, maar voelen mensen zich wel vaak minder eenzaam en van een last bevrijd.”

Onomstreden wetenschappelijk bewijs is er niet. De zelfdoding van Marilyn Monroe en de daarop volgende piek onder de fans wordt vaak als voorbeeld aangehaald, maar er zijn evenveel beroemdheden gestorven ‘door eigen hand’ (de titel van een boek van wijlen Joost Zwagerman over dit onderwerp) zonder dat er enige toename in aantallen suïcides werd geregistreerd.

Wat de zelfdoding van een jongere onder leeftijdgenoten losmaakt weten we niet precies, en op betrouwbaar onderzoek kunnen we ons niet beroepen. Maar dat dit onvergelijkbaar is met dode beroemdheden is duidelijk.

Natuurlijk is het niet verstandig om in te zoomen op details, maar is het ook wijs om de emoties in de omgeving geen aandacht te geven? Een groot probleem onder jongeren is eenzaamheid, en bij psychisch kwetsbare jongeren speelt dit relatief nog veel vaker. Ze worstelen met emoties waarvoor ze zich schamen en die ze vaak niet durven te delen. Waarschijnlijk ten onrechte, maar daar kom je niet achter zolang je het voor jezelf houdt.

De ervaring leert dat het kunnen delen van lastige emoties vaak al heel veel lucht geeft. Dan is er nog helemaal geen probleem opgelost, maar voelen mensen zich wel vaak minder eenzaam en van een last bevrijd. Daarom zou het goed zijn als juist een middelbare school er alles aan doet om jongeren de emoties rond een overleden leeftijdsgenoot zo veel mogelijk te laten delen. Dat vinden ze misschien eng, maar er zijn genoeg mensen die ze kunnen vragen zo’n proces te begeleiden. Als dit zorgvuldig gebeurt en men de angst er buiten kan laten (hoe begrijpelijk die ook is) zal er juist groei optreden bij de achterblijvers: besef hoe kwetsbaar we allemaal kunnen zijn, maar ook dankbaarheid voor het leven dat wij nog wel hebben. Zoals het cliché al aangeeft: ‘delen is helen’.

In dit bericht gaat het over zelfdoding. Mocht je daar vragen over hebben of behoefte te hebben om er over te praten, bel 0900-0113 of bezoek 113.nl.

Lees de originele column en reacties op Joop.nl

 


 

Wat als de psychiater zelf gek is?

Wat als de psychiater zelf gek is?

Mirjam Vriend schreef een roman, ‘Genade’, waarin ze haar eigen ervaringen in de psychiatrische hulpverlening verwerkte. Nu corresponderen Mirjam Vriend en Bram Bakker maandelijks over de geestelijke gezondheidszorg. Dit is de eerste aflevering. 

 

‘Ik word gestalkt door mijn therapeut’, vertrouwde een kennis mij een paar jaar geleden toe.

 

Beste Bram,

Je vakgebied fascineert me. Ik heb er gretig gebruik van gemaakt in mijn leven tot dusver, en dan hebben we het nu toch al over een halve eeuw en nog wat. Gaandeweg rezen bij mij wat vragen. Die leg ik graag aan jou voor. Ik introduceer mezelf bij deze dus even als ‘patiënt’, ok? ‘Cliënt’ vind ik een stom woord.

Ooit had ik het idee dat therapeuten bij het openen van hun deur al konden zien dat ik gek was. Bovendien dacht ik dat ze zelf enorm stabiel en normaal waren, want hoe konden ze anders anderen helpen om stabiel en normaal te worden….. Deze veronderstelde vermogens intimideerden me. Ik vrees dat ik menige therapie onbedoeld gesaboteerd heb omdat ik naarstig bezig was om mijn vermeende waanzin verborgen te houden en ook omdat ik voortdurend bezig was om de therapeut een plezier te doen. Ik voelde haarfijn aan wanneer in het proces hij of zij gaarne iets van een kentering wilde gaan zien. Nou, die leverde ik dan. Bij de laatste sessie schudde ik hem of haar stralend de hand, voor het eind van de straat hing mijn tong alweer op mijn schoenen.

De Toneelschool is natuurlijk een uitgelezen plek voor je eerste echte depressie. Op een grauwe dag sleepte ik me over de Maastrichtse kinderkopjes naar het JAC (Jongeren Advies Centrum), waar men me hartelijk binnenliet, al gaat het JAC gaat eigenlijk tot achttien, en ik was achttien. De mij toegewezen hulpverlener vroeg of ik er bezwaar tegen had dat er een stagiair meeluisterde. Ik, zo assertief als een zak hooi, schudde braaf ja. De stagiair keek angstig. ‘Ik wil niet meer’, zei ik, wat de stagiair duidelijk tegenviel. Hierna begon zijn leermeester aan een vlammend betoog met als rode draad dat, als ik de dingen nou eens van een andere kant ging bekijken, ze vast een bepaalde kwaliteit hadden. Hierna viel er een diepe stilte. ‘Beter?’, vroeg hij hoopvol. Ik, hopeloze hulpverleners-groupie die ik was, knikte ja. Zichtbaar verheugd lieten ze me uit.

Op mijn twintigste kwam ik bij een kale man in een Noors vest met rendieren terecht. Ik wilde per se naar zo’n kleine eenmanspraktijk, ik wilde zo’n psycholoog als in een Amerikaanse film, snap je, Bram; eigenzinnig, betrokken en warm.

Op alles wat ik vertelde, reageerde hij met: “Jeetje, ja, dat is ook echt niet leuk.” Als ik hem verwachtingsvol bleef aankijken zei hij: “Meer kan ik er ook niet van maken.” Aan het eind wenste hij me steevast “toch een goede week”. Op een dag kwam ik niet. Weken gingen voorbij. Hij belde niet, noch om te vragen waar ik was gebleven, noch om te checken of ik überhaupt nog leefde.

Op naar de volgende variant. Groepstherapie, voor vrouwen met eetproblemen. De groep werd gerund door twee graatmagere vrouwelijke therapeuten. De hele avond keken ze apathisch toe hoe de vrouwen elkaar affikten, zoals alleen vrouwen dat kunnen. Halverwege de avond werd vanwege het groepsthema gezamenlijk de maaltijd gebruikt. Het was onthutsend om te zien hoe lang de twee eetprobleemtherapeuten met één blaadje sla hannesten. De rest moffelden ze de vuilnisbak in.

Een jaar na deze therapie ontmoette ik een van de therapeuten op een feestje, waar ik iets theatraals kwam doen. Nadat ze mij vriendelijk gecomplimenteerd had, verdween ze schreeuwend de gang in om de ruzie met haar echtgenoot voort te zetten. Boven de muziek uit brullend raasden ze achter elkaar aan door het grote herenhuis, slaand met de deuren. “Ze is knettergek”, grinnikte de gastheer. Toen ik vertelde waar ik haar van kende bleek hij de andere therapeute ook te kennen. Ook knettergek.

‘Ik word gestalkt door mijn therapeut’, vertrouwde een kennis mij een paar jaar geleden toe. ‘Ik word er gek van, hij denkt dat hij een vervangende vaderfiguur is. Belt continu, bemoeit zich zelfs met de seks met mijn man.”
“Jeetje, wat vervelend, ga naar de mijne, die is heerlijk normaal”, zei ik.
Het bleek de mijne te zijn.

Naast nog een handvol saaie degelijkheid probeerde ik ook maar eens een boeddhiste (levensgevaarlijk; alles was mijn creatie) en een padwerker (verrassend goed; veel existentiëler).

Misschien is het goed, Bram, dat de therapeut in mijn leven geleidelijk van zijn/haar voetstuk gevallen is. Misschien kan de lamme de blinde juist heel goed helpen. “Bij de loodgieter thuis lekt ook altijd de kraan”; zoiets. Toch leek het vaak meer op: “bij de loodgieter staat het huis ook altijd finaal onder water”.

Ik dacht dat je zelf ook in therapie moest als je psychologie studeerde? Moet daar een bepaald resultaat bereikt worden? Of is het enkel om de meest extreme risico’s uit te sluiten, zoals waanideeën, psychopatie, kannibalisme? En krijg je later af en toe nog eens een apk? En van wie? En… heb ik bij toeval bovengemiddeld veel klungelaars getroffen… of ligt het aan mij?

Warme groet,
Mirjam

Dag Mirjam,

Je werpt heel wat vragen op, en alles uitvoerig beantwoorden zal een hele lange reactie opleveren. Ik stel voor dat ik begin bij dat wat me het meest raakt.

Je komt direct al met het klassieke dilemma ‘patiënt’ of ‘cliënt’. Psychologen neigen wat meer naar ‘cliënt’ is mijn indruk, terwijl psychiaters vaak een voorkeur hebben voor ‘patiënt’. Ze hechten nogal aan hun status als arts, denk ik.

Zelf heb ik ook een voorkeur voor ‘patiënt’, maar niet vanwege mijn vooropleiding tot arts. Ik vind ‘cliënt’ echt een eufemisme, en heb eigenlijk een aversie tegen dit begrip in relatie tot de psychologische hulpverlening, die de zorgverzekeraar vergoedt. In gewoon Nederlands heet het een klant, en kenmerkend voor een klant is dat deze mag kiezen. En in de Nederlandse GGZ is weinig te kiezen… Het aanbod wordt helaas voor je bepaald. Het zou prachtig zijn als wij hulpverleners de hulpbehoevende medemens als een klant zouden kunnen behandelen. Alle mogelijkheden doornemen, uitgebreid de voor- en nadelen van de mogelijke behandelvormen bespreken en iemand dan zelf een keuze laten maken.

Ooit vergeleek ik de GGZ met een Oost-Europese supermarkt: er staan lange rijen voor de deur, maar als je aan de beurt bent blijkt het assortiment zeer beperkt. Nog treuriger is het als je weet dat een behandeling waar je zelf voor kiest alleen daardoor al een grotere kans op succes biedt…

Mijn keus voor ‘patiënt’ is dus voornamelijk gebaseerd op de weerzin die ‘cliënt’ bij me oproept. Maar er is ook iets aan het begrip ‘patiënt’ dat me bevalt: ooit leerde ik tijdens de colleges filosofie (een ondergewaardeerd onderdeel in de opleiding tot arts) dat een van de betekenissen van ‘patiënt’ is dat de betreffende persoon geduld moet hebben of moet wachten. Denk ook aan het verwante Engelse ‘patience’. Volgens mij zit daarin een groot deel van de dagelijkse realiteit verscholen: je komt met een probleem, je wacht dan op een reactie, en hoopt dat die reactie iets bruikbaars op gaat leveren. Ondertussen wordt er geleden…

We kunnen erover twisten of het terecht is dat mensen met psychische problemen worden behandeld alsof ze een medische aandoening hebben, maar de term ‘patiënt’ past in ieder geval prima.

Je benoemt ook de neiging van de ‘patiënt’ om het de hulpverlener naar de zin te willen maken. Helaas komt dit heel veel voor bij mensen in therapie: ze zijn meer gericht op de persoon aan de andere kant van de tafel dan op zichzelf. En dit is vrijwel altijd een langlopend thema in hun leven: eerst voor anderen zorgen, en dan pas voor jezelf. Terwijl we heel goed weten dat je, om te beginnen, goed voor jezelf moet zorgen. Dat geldt overigens ook voor de therapeuten zelf. Therapeuten zouden zich naar mijn idee veel meer bewust moeten zijn van dit mechanisme, omdat het niet heilzaam is voor hun patiënten.

Als een therapeut iets nodig heeft van degene die hulp heeft ingeroepen kan gevaar ontstaan. Het is de basis van grensoverschrijdingen, met als meest extreme voorbeeld de hulpverlener die lusten botviert op een kwetsbaar mens. Daar kan ik me enorm over opwinden…

Je merkt op dat je nogal wat eigenaardige types bent tegengekomen tijdens je rondgang door therapieland. Ik ben bang dat het geen toeval betreft. Ik gebruik ook graag de vergelijking van de loodgieter en de lekkende kraan; bovengemiddeld veel relatietherapeuten zijn zelf gescheiden, psychotherapeuten hebben zelf vaak moeite met emoties en psychiaters zijn bovengemiddeld vaak verslaafd aan de middelen die ze voorschrijven. De spreekwoordelijke lamme probeert om een blinde te helpen…

Dat de beperkingen van de hulpverlener zelf een taboe zijn in het contact is een ongeschreven regel binnen het vak. Er is bij mijn weten echter geen enkel wetenschappelijk bewijs dat deze houding voordelen biedt boven meer persoonlijke betrokkenheid en het delen van toepasselijke eigen ervaringen door de hulpverlener. Het draagt bij aan een meer gelijkwaardige relatie, mooi toch?

Wel denk ik dat er een gevaar bestaat dat hulpverleners doorschieten met hun persoonlijke ontboezemingen. Zoals in de Nederlandse remake van de briljante Amerikaanse serie ‘In treatment’, waar een psychiater een sessie opende met: ‘Ik had vanochtend ruzie met mijn vrouw.’ Dan ben je echt het doel van een professionele behandeling kwijt…

Tot slot nog iets over jouw vraag over ‘die klungelaars’ die je tegenkwam. Veelzeggend dat je de vraag stelt of het aan jou ligt… Nee natuurlijk. En de zogenaamde leertherapie lost dit dus ook niet op: professionals doen alsof ze hun eigen problemen daarmee aanpakken, maar gaan de confrontatie vaak niet echt aan.

Hoe kun je iemand helpen met het (her)vinden van balans in het gevoelsleven als je zelf niet stevig op je benen staat? Doordat het volgens de professionele mores niet over de gekkigheid van de hulpverlener hoort te gaan, blijft deze vaak buiten beeld. Terwijl jij het waarschijnlijk steeds goed hebt aangevoeld dat er tegenover je ook iets niet klopte.

Lees de originele column en reacties op Joop.nl

 


 

Het doorgeslagen anti-rookbeleid

Roken is een ongezonde gewoonte, maar in de verslavingszorg is het niet bepaald het grootste probleem waar we mee van doen krijgen.

Heel lang werd roken beschouwd als iets volstrekt normaals. In mijn vroege jeugd rookten mijn beide ouders en vragen werden daar volgens mij toen ook niet over gesteld. We praten wel over de zeventiger jaren…

Inmiddels weet iedereen met een normaal verstand welke risico’s er aan roken zijn verbonden, ook de rokers zelf. De overheid heeft ook beleid ontwikkeld dat het roken moet terugdringen. Vooral de accijnsverhoging natuurlijk, want uit onderzoek weten we dat er niets zo goed helpt om mensen te laten stoppen als een steeds hogere prijs van het product waar ze aan verslaafd zijn.

“Alcoholverslaving is een probleem dat minstens zo groot is als nicotineverslaving.”

Overal en nergens worden rokers inmiddels tot een soort paria’s gemaakt valt mij op. Sommige verslavingsinstellingen eisen dat je ook moet stoppen met roken om in behandeling te komen voor een probleem met drank of drugs. Dat er in openbare ruimtes niet meer gerookt mag worden is begrijpelijk, maar nu wil men het ook verbieden op de openluchtperrons van treinstations.

Slaan we niet een beetje door?

Er zijn twee belangrijke kanttekeningen te maken bij de gevoerde politiek. Allereerst de aanpak van de rokers, die lijden aan de ziekte verslaving. Zouden we niet moeten investeren in hulpverlening? Als je mensen helpt om de uitdagingen van het leven zonder sigaret tegemoet te treden zal er zonder nog meer regels en verboden automatisch minder gerookt gaan worden. Uit de enorme zak belastinggeld die de rokers opbrengen kan dit ruim worden gefinancierd.

Mijn belangrijkste bezwaar tegen het steeds verder gaande anti-rookbeleid is de willekeur ervan: de prijs van een krat bier is nauwelijks gestegen de afgelopen decennia.

Alcoholverslaving is een probleem dat minstens zo groot is als nicotineverslaving, maar daar doen we helemaal niets met de accijnzen. Nog altijd kun je iedere week bij iedere supermarkt een krat bier kopen voor tien euro, en je hoort er niemand over. Zelfs het handhaven van de leeftijdsgrens van 18 jaar lukt niet, omdat er onvoldoende prioriteit aan wordt gegeven.

De kosten van vermijdbare ziekten als kapotte levers en het syndroom van Korsakov zijn immens, maar onderwerp van politiek beleid? Rijden onder invloed veroorzaakt veel meer ellende dan te hard rijden op de snelweg, en waar zetten we op in? Nog meer snelheidscontroles…

Roken is een ongezonde gewoonte, maar in de verslavingszorg is het niet bepaald het grootste probleem waar we mee van doen krijgen. Laten we onze inspanningen richten op die kwalen die het meeste kosten, zowel emotioneel, qua gezondheid en ook economisch.

Dan kunnen we met de rokers wel even pas op de plaats maken.

Lees de originele column en reacties op Joop.nl

 


 

Complementaire behandeling

Bram is vaste columnist voor gezondheidsplatform ‘Meer over medisch’. Hieronder zijn column

Er is rumoer rond de begeleiding van mensen met kanker. In zijn nieuwe boek Kankervrij betoogt arts William Cortvriendt dat aandacht voor onze leefwijze niet alleen preventieve waarde kan hebben, maar dat er ook steeds meer wetenschappelijke studies zijn die aantonen dat de prognose na het stellen van de diagnose verbetert als bewegen, voeding en stressmanagement serieuze aandacht krijgen.

En er werd dezer dagen een Nationaal Actieplan voor betere nazorg voor mensen met kanker gepresenteerd, zoals veel ervaringsdeskundigen weten ook geen overbodig initiatief.

Hoog niveau

Het goede nieuws is en blijft: de oncologische behandelingen zijn in ons land van zeer hoog niveau. En voortdurend wordt er gewerkt aan betere operatietechnieken, verfijndere bestralingsmethoden en chemotherapie met grotere werkzaamheid en/of minder bijwerkingen. Daar willen we niets aan veranderen natuurlijk.

Minder zijn de verontrustende statistieken: steeds meer mensen krijgen kanker, en op steeds jongere leeftijd ook nog. Verbeteringen in de prognose berusten voor het overgrote deel op zogenaamde ‘vroegdetectie’: er wordt vooral eerder behandeld, en niet per se heel veel beter. De getallen hierover in het boek van Cortvriendt zijn best beangstigend, vond ik.

Psychologisch impact

Wat mij zelf opvalt bij dit alles is de relatief geringe aandacht voor de psychologische impact van een zware diagnose als kanker. Niet alleen de patiënt wordt geconfronteerd met een enorme mentale uitdaging, alles en iedereen daaromheen ook. Relaties veranderen ingrijpend als er iemand ernstig ziek wordt, en je hoeft echt geen psychiatrische voorgeschiedenis te hebben om daar flink last van te ondervinden. Toch wordt er vaak pas aandacht aan besteed als er de verdenking is dat er een serieuze psychiatrische complicatie is opgetreden. Denk vooral aan depressies, die dan vaak worden bestreden met medicatie. Niets op tegen uiteraard, maar wat doen we met al die mensen die misschien geen psychische stoornis hebben, maar die wel moeten dealen met een life-event van het zwaarste kaliber?

“Er wordt vooral eerder behandeld, en niet per se heel veel beter. De getallen hierover in het boek van Cortvriendt zijn best beangstigend, vond ik.”

Aandacht voor de aspecten van kanker die buiten het oncologische traject vallen wordt al snel weggezet als ‘alternatieve therapie’, een beladen term waar ik persoonlijk van gruwel. Wordt het niet hoog tijd dat we de mensen met kanker eens allemaal aanbieden om te profiteren van alle kennis die er buiten de oncologische behandelingen bestaat? Niet als alternatief, maar als extra. Met een chique term wordt dat ‘complementair’ genoemd, aanvullend. Niet ‘in plaats van’, maar ‘in aansluiting op’…

Bedreiging

Bewegen om de bijwerkingen van chemotherapie te bestrijden, minder suikers eten om de tumoren niet te veel brandstof te geven, onnodige stress vermijden en iedereen een goed gesprek bieden, al dan niet in groepsverband, om te delen hoe het is om ineens met je sterfelijkheid te worden geconfronteerd. Dat is geen beleid gericht op een specifieke diagnose, maar extra ondersteuning van mensen die kampen met een ernstige bedreiging van hun gezondheid. Complementaire behandelingen aanbieden betekent niets meer of minder dan het verbeteren van onze gezondheidszorg.

 

Deze column werd oorspronkelijk gepubliceerd op Meer over Medisch.

 

 

Kritiek op de GGZ

Hoe effectief kritiek te leveren op de geestelijke gezondheidszorg? Ik weet het niet meer en houd dus voorlopig mijn mond maar.

Jarenlang maakte ik bezwaar tegen de overmatige regels en procedures die kenmerkend zijn geworden voor de geestelijke gezondheidszorg GGZ. Aan goede bedoelingen geen gebrek, maar de vorm domineert steeds vaker en steeds meer de inhoud.

Patiënten die hulp willen bij een probleem moeten vanaf hun aanmelding allerlei obstakels passeren die voor hen niet nodig zijn en meestal weinig met hun reden van verwijzing van doen hebben. De naam van de zorgverzekeraar weegt niet zelden zwaarder dan de diagnose. En of ze ooit in behandeling mogen/kunnen komen wordt vaak pas na maanden duidelijk.

Heb ik dat verzonnen? Nee, godzijdank niet…
Zuig ik het uit mijn duim? Helaas niet…
Wind ik me er over op? Zeker wel…
Heeft dat effect? Jammer genoeg niet…

Je kunt aan de hand van een specifieke casus bezwaar maken en uitleggen wat er niet deugt, en dat gebeurt veelvuldig. De standaardreactie is bijna altijd dezelfde, zeker vanuit de communicatieafdelingen van de grote GGZ-instellingen: ‘We betreuren wat hier is gebeurd, we zijn er zelf ook van geschrokken, maar dit is niet representatief voor wat we hier doen.’

Degene die zijn of haar verhaal naar buiten bracht blijft vaak achter met het gevoel niet serieus te zijn genomen, terwijl er naar hun idee wel iets structureels in het specifieke verhaal schuilde. Discussie daarover vindt echter zelden plaats. De IGJ ( ‘de inspectie’) onderzoekt vooral de incidenten, het tuchtcollege oordeelt over betwiste handelingen van individuele beroepsbeoefenaren, en heel veel meer smaken zijn er niet.

Het alternatief is om in algemene termen kritiek te ventileren. ‘Burnout is geen psychiatrische stoornis en de behandeling hoort derhalve niet bij de GGZ thuis’ of ‘Door de wachtlijsten worden klachten niet zelden onnodig ernstiger, dus zouden instellingen verplicht moeten worden iedereen binnen twee weken na aanmelding een eerste gesprek aan te bieden. Anders krijgen ze geen geld meer.’ Best iets bij te verzinnen, toch?

Je voelt het al aankomen: hier bereik je ook weinig mee. De reactie in de richting van degene die dit ventileert is vaak: ‘Daar heb je hem of haar weer.’ Als de boodschap je niet bevalt, dood je de boodschapper, deden ze in het Romeinse rijk ook al.

Vaak heb ik me zo’n boodschapper gewaand. Recentelijk heb ik nog iets nieuws ontdekt, en best pijnlijk ook nog: de mensen met het hart op de goede plaats, de collega’s die ploeteren op de werkvloer, voelen zich vaak persoonlijk aangevallen als je hun sector onder vuur neemt. Dat kan natuurlijk nooit de bedoeling zijn van kritiek, dat je de goedwillenden onaangenaam treft, terwijl degenen die iets zouden kunnen veranderen reageren met oorverdovende stilte.

Hoe moet het dan wel? Wie het weet mag het zeggen… Ik weet het niet meer, en ik houd dus voorlopig mijn mond maar. Is waarschijnlijk iedereen blij mee.

Lees de originele column en reacties op Joop.nl

 


 

Mijn eerste suïcide

Bram is vaste columnist voor gezondheidsplatform ‘Meer over medisch’. Hieronder zijn column

Als jonge psychiater-in-opleiding was ik al gefascineerd door mensen die spelen met de gedachte om hun leven te beëindigen. Als je er beroepsmatig mee in aanraking kwam werd het aangeduid als suïcidaliteit. Daar zat de veronderstelling achter dat deze overweging een uiting zou kunnen zijn van een psychiatrisch ziektebeeld. En dat is ook zo: iemand die aan een psychose lijdt kan onder invloed van stemmen zichzelf ombrengen. Het gebeurt gelukkig niet heel frequent, maar vaak genoeg om als psychiater de mogelijkheid altijd in het achterhoofd te hebben.

Ik was overtuigd dat een geslaagde behandeling bij iedereen met een doodswens zou leiden tot de uitkomst dat het leven toch voldoende te bieden heeft. Waarom? Omdat ik me domweg niet kon voorstellen dat je niet wilt leven. ‘Er uit stappen is abnormaal’, zo simpel redeneerde ik. En een geslaagde poging tot zelfdoding is dan een mislukte behandeling…

‘Loden last’

Met journalist Bram Hulzebos, die zijn vader op deze manier verloor, schreef ik een boek over nabestaanden, Loden last, waarin bovenstaande opvatting impliciet aan de basis stond. Het boek vind ik onverminderd de moeite waard, ook omdat het tijdloos is, maar ben ik het nog met mezelf eens?

De mogelijkheid dat iemand die zichzelf het leven heeft benomen aan een psychiatrische stoornis leed is zeer reëel. Maar niemand kan betrouwbaar inschatten hoe vaak dat zo is, omdat degenen die het zouden kunnen uitleggen er niet meer zijn.

Verliezer

De eerste patiënt die ik verloor doordat hij zichzelf doodde, komt nog regelmatig in mijn gedachten voorbij. Ik heb nog steeds geen helder beeld van wat er nu precies bij hem speelde. Hij leed enorm, en dat hij dat ondraaglijk vond kan ik eerlijk gezegd wel begrijpen. Ik weet ook niet welke behandeling hem had kunnen redden. De psychiatrie had geen passend antwoord voor zijn existentiële worsteling, en ik voelde me als representant daarvan een verliezer (niet toevallig staat er ‘verloor’, een paar regels hoger). Wat me van hem is bijgebleven zijn geen psychiatrische symptomen, maar zijn gevoeligheid, intelligentie en creativiteit. En ook een goed gevoel voor humor, vooral ‘sick jokes’. In de loop der jaren is hij in mijn herinnering minder ziek geworden.

Twijfelen

Door mijn beroep had ik weinig aandacht voor de mensen die niet psychisch ziek zijn, en toch niet verder willen leven. Ik ben inmiddels overtuigd dat er best veel van dit soort mensen zijn, en vraag me af of ze in de gezondheidszorg iets te zoeken hebben. Euthanasie is een zeer humane oplossing voor mensen die objectief aantoonbaar ongeneeslijk ziek zijn. Euthanasie bij psychisch lijden suggereert dat er sprake is van ziekte, en daar ga ik steeds meer aan twijfelen.

En dan, om het helemaal ingewikkeld te maken, zijn er de mensen die wel een psychische stoornis hebben, maar waarbij de doodswens die speelt daar toch geen deel vanuit maakt. Daar hebben we geen antwoord op, in ieder geval ik niet.

Het onderwerp is nog even fascinerend als dertig jaar geleden, maar mijn kennis erover is niet gegroeid. Mijn onzekerheid wel, door al die onbeantwoordbare vragen…

 

Gedachten aan zelfdoding kunnen komen door ingrijpende gebeurtenissen in het leven. Probeer erover te praten. Zoek hulp via uw huisarts. Bel 112 bij direct gevaar.U kunt ook (dag en nacht) de hulpdienst bellen: 113 of 0800-0113 (gratis). Of chatten via www.113.nl.

 

Deze column werd oorspronkelijk gepubliceerd op Meer over Medisch.

 

 

De publieke psychiater

Ook psychiaters zijn alles behalve immuun voor streling van hun ego. En zeker niet als dat in de kern nogal kwetsbaar is.

Onlangs stond in De Volkskrant een uitgebreid interview met psychiater Esther van Fenema. Ze ging daarin gedetailleerd in op haar persoonlijke achtergronden en drijfveren. Het verhaal riep veel op, ook bij ondergetekende. Op sociale media was er veel afkeuring, vooral omdat iemand met zo’n complex levensverhaal geen goede psychiater zou kunnen zijn.

Dit is mij zelf ook meermaals overkomen: iets persoonlijks wordt direct gekoppeld aan professionele competenties.
Psychiater Menno Oosterhoff kreeg (terecht) veel lof toen hij in zijn boek Vals alarm schreef dat hij niet alleen gespecialiseerd is in de dwangstoornis, maar er zelf ook last van heeft. Maar toen hij later ergens deelde dat hij vond dat hij te veel alcohol dronk en daar professionele hulp voor ging inroepen was afkeuring zijn deel.

‘Als je niet tegen kritiek kunt houd je er toch mee op?’ is de meest gehoorde reactie die psychiaters krijgen die moeite hebben met de oordelen waar ze aan bloot komen te staan als ze zich roeren in het publieke domein. Dat de criticasters zich steeds minder lijken te realiseren dat ook psychiaters mensen met gevoelens en emoties zijn krijgt weinig aandacht. Dat een cabaretier je in een ‘kwaliteitskrant’ diagnosticeert als narcist en in een moeite door verklaart dat je een verbod moet krijgen om je beroep nog uit te oefenen moet je vooral niet kwetsen. Het is toch gewoon grappig?

“Ik heb nog nooit een psychiater ontmoet die géén inhoudelijke boodschap wilde vertellen.”

Ik ken veel van de psychiaters die wel eens in de publiciteit komen. Het zijn heel verschillende mensen, maar wat ze delen is een passie voor hun vak. En ze vinden het belangrijk dat er aandacht is voor dat vak. Ze vinden media niet vervelend of afschrikwekkend en omgekeerd vinden redacteuren van nieuwsprogramma’s of kranten een goed verteld verhaal interessant.

Natuurlijk treed je niet in de openbaarheid als je het alleen maar nuttig vindt. Zeker in het begin is het vleiend om op radio of tv iets te mogen vertellen. Zoals bijna iedereen die op een bepaald moment media-aandacht krijgt zal herkennen: je voelt je gezien, belangrijk, serieus genomen. Ook psychiaters zijn alles behalve immuun voor streling van hun ego. En zeker niet als dat in de kern nogal kwetsbaar is…

Maar er is iets belangrijkers dan de persoon van de psychiater die zich in het publieke domein manifesteert: de boodschap. En omdat die boodschap vaak complex is en/of moeilijk wordt begrepen is juist daar te weinig aandacht voor. Dan blijkt het gemakkelijker om commentaar te leveren op de foto’s bij een artikel of de bloemetjesblouse die iemand draagt. Ik heb nog nooit een psychiater ontmoet die géén inhoudelijke boodschap wilde vertellen. Die de feiten geweld aandeed om zich als mens aantrekkelijker te profileren. Collega’s die zich in het openbaar denigrerend uitlaten over mensen met een psychische stoornis: ik ken ze niet.

Hoe verschillend we als mens ook zijn, we willen als psychiater iets kwijt over ons vak, omdat we dat belangrijk vinden. Op talloze manieren kan beargumenteerd worden dat psychische problemen nog altijd niet de aandacht krijgen die ze verdienen. Tot het moment dat er eerst en vooral inhoudelijk wordt gereageerd op psychiaters in het publieke debat moet kritiek op hun persoon vooral maar worden beschouwd als teken dat onze samenleving zich nog altijd niet goed raad weet met mensen met een psychiatrische stoornis.

Lees de originele column en reacties op Joop.nl

 


 

Blijf-Beter!Welkomsgeschenk

Meld je vandaag nog aan voor Bram's maandelijkse nieuwsbrief en ontvang zijn boek Blijf Beter! (in pdf).

Mis 'm niet!