De dokter als patiënt

Als psychiater werk ik in een algemeen ziekenhuis en mede daarom verbeeld ik me echt wel iets van onze gezondheidszorg af te weten. Tot ik van de andere kant in het systeem beland, als patiënt

Het begon met mijn vriendin, die ietwat ongerust opmerkte dat ik vreemd liep, tijdens het uitlaten van het hondje. De dag daarna vroegen mijn kinderen of er iets met me mis was, omdat ik zo onhandig bewoog. Het was ook mijzelf niet ontgaan, maat ik had geprobeerd mezelf gerust te stellen: je bent een topfitte hardloper, het zullen wel naweeën zijn van de griep. Ik voelde me verder ook geheel gezond. Maar de zorgen van mijn dierbaren verontrusten me, dus belde ik maar wel voor een afspraak bij de huisarts. Ik kon direct de volgende ochtend, donderdag, vroeg komen, zei de assistente die mijn verhaal had aangehoord. En als het dezelfde dag nog moest kon dat ook worden geregeld, zei ze er nog achteraan.

Een huisarts in opleiding onderzocht me, de volgende ochtend. Hij schrok duidelijk van mijn dramatische prestaties bij het lopen over een denkbeeldige lijn. Mijn vaste huisarts, zeer ervaren, en hij kent me goed, kwam meekijken. Hij keek zorgelijk. “Het lijkt iets met je cerebellum”, zei hij. Leek ook mij niet onlogisch, want daar worden beweging, balans en evenwicht gecoördineerd. Eerst maar even wat bloedprikken en vanmiddag bellen, spraken we af.

Braaf

Rond halftwee had ik de huisarts aan de telefoon. Hij had overlegd met de neuroloog van een dichtbijgelegen ziekenhuis en het advies was om me daar zo snel mogelijk te melden op de Spoedeisende Hulp. Ik schrok, maar luisterde braaf. Ik maakte me los van een afspraak op mijn werk, en meldde me om twee uur. Ik werd inderdaad verwacht. Na 2,5 uur wachten kwam er een verpleegkundige die excuus maakte en nog meer bloedonderzoek aanvroeg.

Rond zes uur, dus vier uur na mijn spoedmelding, kwam er een vriendelijke arts-assistent, die me onderzocht, maar die er duidelijk ook niets van kon maken. Zij vroeg een CT-scan aan, waar uiteindelijk niets afwijkends op te zien was. Rond halfacht ’s avonds kwam ze terug met een ‘echte’ neuroloog, die bij wat geavanceerde testjes wel wat afwijkingen vond, met name een verschil tussen mijn linker en rechter lichaamshelft. Het woord CVA viel, best eng. Ik moest opgenomen worden op de ‘stroke unit’ en alvast behandeld worden alsof ik een herseninfarct had, uit voorzorg. Vierentwintig uur aan de monitor en drie soorten pillen. “En morgen een spoed MRI, want op een CT zien we onvoldoende.”

Rond tien uur, dus acht uur na binnenkomst van het ziekenhuis, was ik op de afdeling. Tussen twee oudere heren belandde ik, waarvan overduidelijk was dat ze net een beroerte hadden gehad.

Ongerust

De volgende ochtend, vrijdag, nieuwe dokters, die het beleid bevestigden, maar nog niet konden zeggen wanneer de MRI zou plaats vinden. Hoewel ik me nog steeds niet ziek voelde nam de ongerustheid toe. Einde van de middag komen we terug, zei de tweede neuroloog die ik zag. ‘En u bent natuurlijk ook nog een collega’, voegde ze er vriendelijk aan toe.

De hele dag vroeg ik passerende verpleegkundigen of ze al iets wisten over de planning. Zonder uitzondering lieve dames. Maar ook een beetje ongemakkelijk dat ze me een antwoord schuldig moeten blijven.

Om halfzes vrijdagavond kwam een zaalarts melden dat de MRI niet voor maandag ging lukken. Ze zag mijn verbaasde blik, en zei toen: ‘Ik kan het niet helpen, de mensen die de MRI-planning doen zijn om vijf uur al naar huis gegaan. En wij willen zelf ook graag weten of het geen multiple sclerose is’.

Ze begreep wel dat ik niet langer op de afdeling wilde blijven wachten. Ik kreeg recepten mee voor de bloedverdunners en de cholesterolremmer, passend bij de behandeling van een CVA. ‘Omdat u dan poliklinisch bent kan de MRI niet op maandag, u krijgt dinsdag een brief thuis wanneer het dan wel wordt’, waren haar laatste woorden.

In een kleine zesendertig uur was slechts mijn ongerustheid gevoed.

Lees de column (en reacties) op Joop.

 

Dokters kunnen niet afschrijven

Dokters kunnen niet afschrijven

Veel artsen staan met de mond vol tanden als patiënten willen stoppen met pillen. Hoe medicatie moet worden afgebouwd is meestal niet goed onderzocht namelijk.

Een belangrijk onderdeel van de artsenopleiding is het leren voorschrijven van medicatie. Wanneer schrijf je een geneesmiddel voor, waar moet je op letten als je dat doet, en hoe evalueer je het effect? In de opleiding tot medisch specialist leer je vervolgens ook nog heel goed wat de alternatieven zijn als een bepaald middel niet werkt. Er zijn richtlijnen voor de vervolgstappen, en bijna zonder uitzondering vertellen die de dokter welk middel te kiezen als het eerste niet of onvoldoende heeft gewerkt.

cc-foto Jose M Rus. Apotheek De Groote Gaper in Enkhuizen

Kortom: dokters leren heel goed hoe ze medicatie moeten voorschrijven en welke pillen er gebruikt moeten worden, of extra worden toegevoegd, bij onvoldoende resultaat. De wetenschappelijke studies waar de kennis in de richtlijnen op is gebaseerd komt vrijwel altijd van studies die zijn gesponsord door belanghebbende farmaceutische bedrijven. Die financieren graag dat dokters veel medicatie voorschrijven.

Soms willen mensen ook graag weer van de medicatie af: ze voelen zich beter en denken het ook wel zonder pillen af te kunnen, of ze hebben bijwerkingen die ze graag kwijt willen. Op dat moment staan veel artsen met de mond vol tanden. Hoe medicatie moet worden afgebouwd is meestal niet goed onderzocht namelijk.

Hoe kom je van die pillen af?

Een van de grootste onopgeloste problemen in de Nederlandse gezondheidszorg zijn de miljoenen gebruikers van psychofarmaca (slaappillen, kalmeringstabletten, antidepressiva, etc.) en het niet geringe deel daarvan dat wil minderen of stoppen. Hoe moeten we dat aanpakken? Ze zijn in grote meerderheid in zorg bij de huisarts voor de herhaalrecepten, en deze weet zich vaak geen raad met deze vraag. Maar om iemand nu naar de GGZ te verwijzen om medicatie af te bouwen…

We zijn er in de praktijk bijvoorbeeld achter gekomen dat sommige mensen hun antidepressiva heel langzaam moeten afbouwen, omdat het anders niet lukt. Maar de zogenaamde taperingstrips, die daarvoor nodig zijn, worden door de farmaceutische industrie niet gefabriceerd en als een apotheker ze zelf produceert (magistrale bereiding) worden de kosten niet gedekt door de zorgverzekeraar.

Het afbouwen van antidepressiva en andere psychiatrische medicatie vormt in de dagelijkse praktijk van de tegenwoordige huisarts een serieuze uitdaging. De vraag van de patiënten is helder, het antwoord ontbreekt, of is onbereikbaar en/of onbetaalbaar binnen het huidige systeem.

Afbouwpoli

De politiek zou tenminste moeten zorgen dat de geleidelijke afbouw met behulp van taperingstrips wordt vergoed. De zorgprofessionals zouden eens moeten nadenken over een serieus behandelaanbod voor mensen die medicatie willen afbouwen. Duur hoeft dat niet te zijn, omdat het grotendeels in groepsverband zou kunnen en met online ondersteuning.

Je verdient er zelfs geld mee, omdat de niet geringe zorgkosten die te maken hebben met zeer langdurig gebruik van psychofarmaca flink zullen afnemen. Denk aan de kosten van hoge bloeddruk, overgewicht en andere bijwerkingen. Het is nog slechts wachten op de afbouwpoli…

Lees de column (en reacties) op Joop.

Goed voornemen

Goed voornemen

Na een serieuze wedstrijd neem ik altijd graag een paar weekjes vrijaf. Ik loop dan minder, en ben ook wat gemakzuchtiger in mijn zelfzorg: ik drink wat vaker een wijntje of biertje, let niet op wat ik eet, en kom dan ook zomaar een paar kilo aan.

Niet lopen is geen optie, maar met twee keer in de week heb ik het dan wel even gehad.

Mijn benen kunnen herstellen, en ondertussen laad ik me op voor de volgende wedstrijd. Ergens prik ik dan een datum waarop mijn voorbereiding begint

En toevallig is dat nu 1 januari. Ik heb na de marathon van Valencia, zes weken geleden, niet zo heel veel meer gedaan, en me alles met de feestdagen goed laten smaken.

Zo goed dat ik ook weerstand op voelde komen tegen dit luie leven, de behoefte weer wat meer gestructureerd te gaan leven werd steeds sterker.

“Hoe meer goede voornemens, hoe groter de kans dat ze allemaal mislukken.”

Ik schakel naar drie trainingen per week vanaf nu, ik drink nog maximaal drie avonden per week een geringe hoeveelheid alcohol en ik ga weer koud afdouchen.

Dat laatste vooral om mijn wilskracht te trainen, want dat ik er sneller van ga lopen lijkt me onwaarschijnlijk. Maar toen ik twee jaar geleden meedeed met de ‘cool challenge’ voelde ik me super fit. Gewoon douchen, alleen een toetje ‘twee minuten koud’ er achteraan. Je wordt er in ieder geval wakkerder van, alerter. En het risico om ziek te worden neemt ook af, en dat is wel prettig met over vijfenhalve maand die ultra in het vooruitzicht.

Ik heb nog meer plannen, maar weet dat je niet alles tegelijk moet doen. Hoe meer goede voornemens, hoe groter de kans dat ze allemaal mislukken.

De halve marathon van Egmond

Mijn eerste meetpunt is de halve marathon van Egmond over twee weken. Een toptijd zal het niet worden, omdat ik nu al ben gestopt om op snelheid te trainen. Meer dan drie keer per week ga ik ook niet trainen, tot aan die wedstrijd, enkel de afstanden van de trainingen zal ik gestaag opvoeren.

Terwijl ik dit zo formuleer bekruipt de wedstrijdspanning me al een beetje: als het allemaal maar goed gaat, als ik maar heel blijf. De kans op ongelukken is het kleinst als je niet teveel overhoop haalt, dus ik beheers me. Vandaag ruim dertien kilometer ontspannen gelopen, morgen rustdag.

Nou ja: alleen een koude douche…

Lees de column (en reacties) op Sportrusten.

Trio’s

Trio’s

Het is nog geen officieel erkend genre in de journalistiek, het driegesprek. Maar als je de stukken leest die journaliste Nathalie Huigsloot daar de afgelopen jaren voor HP/De Tijd over schreef, dan begrijp je dat het dat wel zou moeten worden.

De interviewer neemt een veel bescheidener plaats in als er drie mensen in gesprek gaan over een onderwerp dat hen bindt. Natuurlijk heeft de journalist een belangrijke rol, als verslaglegger. Ook in het maken van de selectie van de fragmenten uit het gesprek die uiteindelijk gepubliceerd worden.

Huigsloot kan dat als geen ander. Ze schetst tussen de regels de sfeer van het gesprek, laat je als lezer voelen hoe de geïnterviewden zich tot elkaar verhouden. Of ze elkaar aardig vinden (vaak), of stiekem toch een beetje irritant (soms).

Het mooiste is dat je de mensen uit de driegesprekken anders leert kennen. De meesten van hen zijn bekend, en al vaak geïnterviewd. Maar door de feedback die ze elkaar geven, en de vrijpostigheid waarmee ze elkaar vragen stellen ontstaat een beeld dat je vaak nog niet kende. En dat vermoedelijk voor iedere lezer weer anders zal zijn.

Veertien lange driegesprekken zijn nu in boekvorm verschenen. Ze zijn zonder uitzondering behoorlijk tijdloos, maar handelen wel over actuele thema’s en kwesties die van alle tijden zijn. Het is het perfecte cadeauboek, voor iedereen die ze niet allemaal al gelezen heeft in HP/De Tijd, en dat zijn er vast niet zo veel…

Lees hier meer over het boek Trio’s.

Maakt Facebook de samenleving kapot?

De waarschuwingen van een voormalig topman van Facebook dat het medium de maatschappij ondermijnt, zijn volkomen terecht, vindt psychiater Bram Bakker.

‘Facebook is niet geïnteresseerd in de mens, maar in omzet. Als we zo doorgaan bedreigt het onze volksgezondheid’

Bram Bakker

Hij pleit voor wifi-vrije zones en afspraken tussen mensen om hun telefoon soms aan de kant te leggen.

Blijf-Beter!Welkomsgeschenk

Bram's tweewekelijkse nieuwsbrief is alweer een paar maanden bezig. Meld je vandaag nog aan en ontvang zijn boek Blijf Beter! (in pdf).

Mis 'm niet!