‘Ik was een modelpatiënt’

‘Ik was een modelpatiënt’

Bram Bakker foto door Nout Steenkamp

Psychiater Bram Bakker over de zorg. Als rechtgeaard recalcitrant type doet hij nogal eens controversiële uitspraken, die leiden tot heftige kritiek, óók van beroepsgenoten. Dat weerhoudt hem er niet van medici een spiegel voor te houden in zijn nieuwste boek, De dokter als patiënt. Gelukkig is ook zelfspot psychiater Bram Bakker (55) niet vreemd. “Ik ben raar ja, maar niet in psychiatrische zin.”

Oorspronkelijk gepubliceerd in Arts & auto.
Tekst: Marjan Enzlinfoto genomen door: Nout Steenkamp

Vijf minuten te laat komt hij aan het einde van de werkdag een Haags etablissement binnenlopen. Regelrecht vanuit het ministerie van Defensie, waar hij de boekpresentatie van generaal buiten dienst Mart de Kruif bijwoonde. Hip ruitjespak, vermoeid hoofd, drukke bewegingen en een mond die niet stilstaat. Binnen 20 seconden slobbert hij (met een rietje) luidruchtig een glas verse jus d’orange leeg en dan begint hij te vertellen. Psychiater en auteur Bram Bakker is niet iemand aan wie je veel vragen hoeft te stellen om hem iets te laten zeggen. Eentje is genoeg.

Het is de week nadat de partner van de door suïcide om het leven gekomen vriend van Bakker, Joost Zwagerman, in Volkskrant Magazine kritiek op de psychiater uitte vanwege uitspraken die hij na Zwagermans dood deed over diens depressie. Ook toen al vielen die niet goed en nu valt ‘de hele wereld’ opnieuw over hem heen. Die ene vraag dus. Hoe is het met je, gezien de hernieuwde ophef over je uitspraken rond de depressie van Joost Zwagerman?

“Onder het motto ‘stilzitten als je geknipt en geschoren wordt’ heb ik het destijds laten gaan”, zegt Bakker geladen. “Maar dat doe ik deze keer niet. Om te beginnen was ik niet Joost zijn psychiater, maar zijn vriend, en om te vervolgen: ik ben destijds verkeerd geciteerd. Ik vertelde tijdens het interview iets over depressie en over hoe personen die depressief zijn de neiging hebben overal enorm tegenop te zien. De journalist legde in dat verband en tijdens het interview zélf de link met de zwangerschap van Joosts partner en ik heb vervolgens gezegd dat zo’n verandering inderdaad een voorbeeld kan zijn van iets waar iemand die depressief is buitenproportioneel tegenop kan zien. Dat dat dan wordt opgeschreven alsof die zwangerschap volgens mij de oorzaak van zijn zelfmoord was, is de verantwoordelijkheid van de schrijver. Er is maar één echte oorzaak van suïcide, namelijk depressie. Maar die nuance valt weg in zo’n artikel. Dat Maaike daar niet gelukkig mee was, begrijp ik, maar haar interview in Volkskrant Magazine heeft alle symptomen van een wraakpoging en ik vind dat ik dat niet verdien.”

Het is niet voor het eerst dat Bakker om zijn uitspraken of daden in opspraak komt. Hij neemt nooit een blad voor de mond en is inhoudelijk opmerkelijk openhartig. Over zichzelf, over anderen, over het gezondheidszorgsysteem en ook over hoe hij zijn vak en collega’s ziet. Jaren geleden was hij al onderwerp van hoon onder beroepsgenoten omdat hij zijn (mobiele) telefoonnummer aan patiënten en cliënten gaf en daarover niet eens geheimzinnig deed. Psychiaters rolden over elkaar heen, roepende dat Bakker te weinig professionele afstand hield en toen hij óók nog een cliënte in contact bracht met een vriend van hem – hetgeen hem op een waarschuwing van het medisch tuchtcollege kwam te staan – werd dat als bekrachtiging van die stelling gezien en uitgedragen.

‘We laten ons als beroepsgroep veel te veel domineren door protocollen en regels’

“Veel beroepsgenoten hebben een hekel aan me”, zegt Bakker. “Ik doe ook echt wel onhandige dingen. Desondanks zeg ik altijd dat ik mezelf als psychiater tóch het rapportcijfer 7 geef. Geen 8, geen 9 en zeker geen 10. Het probleem is dat ik mijn beroepsgroep als totaal gemiddeld een 3 geef en daarom hebben veel collega’s een hekel aan me.

Toch blijf ik roepen dat we ons als beroepsgroep veel te veel laten domineren door protocollen en regels. En ook dat we totaal zijn doorgeschoten in alle labels die we opplakken. Het contact met cliënten wordt volledig gedomineerd door procedures. Geneeskunde moet ook geneeskunst kunnen zijn. Zeker in ons vak. Je moet als dokter behalve op richtlijnen óók op je gevoel af kunnen gaan. Aanvoelen of je met een patiënt/cliënt linksaf dan wel rechtsaf moet. Dat pakt doorgaans verrassend goed uit en soms ook niet. Zo is het nou eenmaal.

Met een beetje pech kom je als dokter – zeker als psychiater – in zo’n geval bij het medisch tuchtcollege terecht. Dat vinden álle dokters verschrikkelijk. Het overkwam mij zes keer en ik liep twee keer tegen een maatregel aan. Heel naar, maar ik hang ook het idee aan dat dokters die nooit voor het tuchtcollege zijn gedaagd, waarschijnlijk niet de beste dokters zijn. Je moet volgens mij voor je patiënt altijd de rand van je kunnen opzoeken en dan maak je ook weleens brokken. Ik onderschrijf de principes van het medisch tuchtrecht, maar ik heb wel het idee dat het in een aantal opzichten is losgezongen van de werkelijkheid.”

Formeel versus informeel

Dat de medische stand dreigt te verdrinken in het woud van procedures en onder meer daardoor niet langer in staat is de patiënt ook informeel te bejegenen, merkte Bakker aan den lijve toen hij in maart van dit jaar ineens ernstige, neurologische symptomen ontwikkelde en naast zijn huisarts en een kno-arts ook tien verschillende neurologen zag. “Ik wist dat het erg was, maar dat het zó erg was, merkte ik pas toen ik zelf patiënt werd”, vertelt hij. “Ik kwam geen onwil, maar wel enorm veel onvermogen tegen. Afgezien van mijn huisarts en de kno-arts, die zich allebei betrokken opstelden, vroeg bijvoorbeeld niemand me naar mijn beleving.

Mijn ‘collega-dokters’ stelden zich in hun behandeling uiterst formeel op, terwijl het toch heel ingrijpend en beangstigend is als je ineens niet meer over een rechte lijn kunt lopen. Ik was plotseling een patiënt en heb me heel bewust als een modelpatiënt opgesteld. Niet dwars of eigenwijs. Ik liet ze kritiekloos hun onderzoeken doen, maar ik had het heel fijn gevonden als een van die neurologen me had gevraagd hoe het voelt als je van de ene op de andere dag niet meer kunt lopen, niet meer kunt typen en niet meer kunt werken. En het was ook prettig geweest als men gewoon gezegd had dat men geen flauw idee had van de oorzaak van mijn symptomen.

Laten we als medici ophouden met moeilijk doen over wat we niet weten en dat gewoon zeggen in plaats van per definitie (subtiel) te verwijzen naar een oorzaak die tussen de oren ligt. Daardoor voelen mensen met niet-begrepen lichamelijke klachten zich weggezet als psychiatrisch patiënt. Zelfs als er ook een psychische oorzaak is, is dat niet wat helpt.”

‘Ik kwam als patiënt geen onwil, maar wel enorm veel onvermogen tegen’

Raar en afwijkend

Dat Bakkers symptomen geen psychische oorzaak hadden, bleek toen hij na veel omzwervingen en diverse ziekenhuisopnamen bij een doorgespecialiseerde specialist terechtkwam. Die kwam tot de conclusie dat de klachten, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, een neurologische reactie zijn op de felle griep die Bakker doormaakte voordat de eerste verschijnselen zich openbaarden. Oftewel: geen conversieverschijnselen dus.

Bakker: “Ik ben raar en afwijkend ja, maar ik ben – en was nooit – psychiatrisch ziek. Niet dat het een schande is om dat wel te zijn trouwens en het is goed om fysieke klachten ook altijd in hun onderlinge samenhang met de psychodynamiek te zien. Dat gebeurt naar mijn idee te weinig. Medisch specialisten begeven zich veel te weinig buiten de lijnen van hun eigen vakgebied, terwijl elke dokter weet dat de manier waarop de patiënt zijn of haar klachten beleeft, bepaalt hoeveel last die patiënt ervan heeft. In ons doen en laten houden we te weinig rekening met die factor. Depressie is bijvoorbeeld een bekende en veelvoorkomende complicatie van een hartaanval, maar cardiologen vragen maar zelden de symptomen van een depressie uit. En psychiaters doen dat omgekeerd ook te weinig. Jammer, want het zou de patiënt en de schatkist veel opleveren als we niet allemaal steeds opnieuw zouden beginnen binnen ons eigen specialisme. Wat dat betreft moet de gevestigde orde het hebben van de co-assistenten. Die kijken nog over de schotten heen en zijn nog niet bedorven door het systeem.”

‘Medisch specialisten begeven zich veel te weinig buiten de lijnen van hun eigen vakgebied, terwijl elke dokter weet dat de manier waarop de patiënt zijn of haar klachten beleeft, bepaalt hoeveel last die patiënt ervan heeft’

Over schotten gesproken; de staat van de huidige ggz baart Bakker ernstige zorgen en dat is vriendelijker gezegd dan de woorden die hij gebruikt om aan te geven hoezeer hij oploopt tegen de macht van zorgverzekeraars en de rol die de koepel GGZ Nederland “niet!” oppakt in het aanpakken van de problemen. Zoals de wachtlijsten die “onverantwoord lang” zijn. “Je meldt als psychiater iemand aan bij de crisisdienst en hoort dan dat hij nummer 29 op het lijstje is”, zegt hij, zichtbaar gefrustreerd. Onder tafel bewegen zijn benen, ogenschijnlijk ongecontroleerd, mee op de golven van opvlammende en weer afnemende boosheid. “Nee, geen restless legs”, beantwoordt hij de vraag erover. Om er spottend aan toe te voegen: “Gewoon onbehandelde adhd.”

Brij aan procedure

“Ik ben zo klaar met het systeem en de macht van de zorgverzekeraars”, vervolgt Bakker zijn verhaal. “Een paar jaar geleden had ik een dronken dokter tegenover me zitten. Eindelijk had hij de beslissing genomen om zich te laten behandelen tegen zijn verslaving. Het is belangrijk om op zo’n moment door te pakken, maar dat kan niet, want je moet eerst door een brij aan procedures heen, voordat je iemand op kunt nemen. Of de bekende voorbeelden van psychiaters die vruchteloos het hele land afbellen om een bed te regelen voor een suïcidale patiënt. Om over psychotische mensen op straat nog maar te zwijgen.

Een jaar geleden, bij het aantreden van het kabinet, had Paul Blokhuis het al over urgentie met betrekking tot het aanpakken van de wachtlijsten, maar ze zijn nog even lang en er gebeurt ondertussen niks. Ook niet bij GGZ Nederland. Echt schandalig hoe we met de psychiatrische patiënt omgaan in dit land. De ggz, en in het verlengde daarvan de verslavingszorg, is binnen een toch al verrot systeem, het stiefkindje. Het kind waar niemand wérkelijk iets om geeft. Zó ondoordacht, zo slecht ook voor de alsmaar oplopende zorgkosten.

Het lijkt wel of niemand begrijpt dat je een enorme investering doet in de hele samenleving als je bijvoorbeeld een jonge verslaafde helpt de verslaving af te schudden. Op het moment dat de tijd daarvoor rijp is en niet drieënhalve maand en tien toestemmingsformulieren later. Soms moet je de dingen gewoon doen. Maar dat kan dus nauwelijks. Daarom hebben we met een paar mensen onlangs, volledig volgens de spelregels van de zorgverzekeraars, Naast GGZ opgericht. Als het niet kan zoals het moet, dan moet het maar zoals het kan. Bij Naast GGZ ga ik twee dagen per week mantelzorgers met psychische of psychiatrische problemen behandelen. Want dat is ook zo’n groep die over het hoofd gezien wordt. En hoewel ik de gezondheidszorg achter me wilde laten, kruipt het bloed toch waar het niet gaan kan. Daarom wil ik mijn registratie behouden en naast mijn bezigheden voor onze uitgeverij ook mijn vak uit blijven oefenen.”

‘De ggz, en in het verlengde daarvan de verslavingszorg, is binnen een toch al verrot systeem, het stiefkindje. Het kind waar niemand wérkelijk iets om geeft’

Als hij na het interview buiten staat, laat Bakker nog even zien dat hij al veel heeft gewonnen sinds hij in maart ineens niet meer normaal kon lopen. Voorzichtig loopt hij over een denkbeeldige rechte lijn op de Haagse straat. Nog steeds alsof hij te veel gedronken heeft, maar dat komt doordat het een drukke dag was en de vermoeidheid toeslaat, meldt hij desgevraagd. Bij de auto heeft hij nog een boodschap voor vriend en vijand onder de dames en heren medici. “Het is de hoogste tijd dat we de regie over de gezondheidszorg terugpakken. Ik zeg altijd: tussen negen en vijf doen we gewoon ons werk, maar wat we buiten de officiële werktijd doen, bepaalt of we ook werkelijk goede dokters zijn.”

Oorspronkelijk gepubliceerd in Arts & auto. Lees het artikel daar.

 

Mijn vriend Joost Zwagerman

In dit pijnlijke proces heb ook ik fouten gemaakt. Maar ik heb nooit getwijfeld dat Joost zich in mijn uitlatingen had kunnen vinden

In januari jongstleden werd ik geïnterviewd door Nathalie Huigsloot voor het Volkskrant Magazine. Aanleiding was het verschijnen van Gerrit, een boek dat ik schreef over mijn aan ALS overleden jeugdvriend. In een periode van twee jaar verloor ik vijf mannelijke vrienden van mijn eigen leeftijd, en op onze leeftijd, rond de vijftig, hakt dat er best in.

 

Achteraf

Een van die vrienden was Joost Zwagerman, en hij komt ook in het boek voor, met medeweten van de uitgever. Ik was niet de behandelaar van Joost ten tijde van zijn dood, ik beschouwde hem als een goede vriend. En hij mij ook, vermoed ik. De interviewster vroeg mij of ik wist dat zijn vriendin Maaike zwanger was. Ik antwoordde bevestigend, omdat ik wist dat de schrijver Jeroen Brouwers dit al eerder publiek had gemaakt in Vrij Nederland. Ik had dit beter niet kunnen doen, moet ik achteraf vaststellen. En ik had zeker niet moeten speculeren over de rol van depressie bij zijn zelfdoding. Dat was te verwarrend. Uit de reacties bleek dat men vond dat een psychiater dit niet hoort te doen. En die mening deel ik. Maar: ik sprak als vriend en als nabestaande, geenszins als zijn psychiater. Van een beroepsgeheim was in ieder geval geen sprake rond zijn overlijden. Door deze misvatting werd ik aan de publieke schandpaal genageld, onder meer door Youp van ’t Hek in zijn wekelijkse column in NRC Handelsblad.

Op aanraden van diverse vertrouwelingen heb ik toen niet gereageerd. Wel heb ik gekwetste nabestaanden van Joost per e-mail uitgenodigd het er nog eens over te hebben. Zonder ooit enige reactie te krijgen.

“Joost was een groot pleitbezorger van openheid over zelfdoding, al was het maar om daarmee wellicht iemand anders te kunnen redden.”

Bijzaak

Wat schetst mijn verbazing dat de toenmalige vriendin van Joost Zwagerman ruim negen maanden later nog eens naar mij uithaalt onder verwijzing naar mijn beroep, opnieuw in datzelfde magazine. Ze citeert me niet alleen onjuist, ze gaat ook voorbij aan het feit dat ik eerst en vooral een nabestaande van Joost ben. Dat ik van beroep psychiater ben is bij het verlies van een vriend slechts bijzaak, lijkt me.

De moeder van het vierde kind van Joost is ongetwijfeld nog harder getroffen door het verlies van haar partner. Ik voel niet de behoefte om publiek commentaar te leveren op haar verdriet. Maar mij slechts opvoeren als een psychiater die een relatie zou zien tussen haar zwangerschap en zijn ongelukkige dood is onwaar en onvolledig. De keus voor haar zwangerschap maakte hij bij zijn volle verstand. Dat de zoon van Joost en Maaike later via mijn uitlatingen in de media zou moeten vernemen hoe zijn vader is gestorven was absoluut mijn bedoeling niet. En het lijkt me eerlijk gezegd ver gezocht. Dat Maaike en anderen wellicht vinden dat ik het kind schade heb toegebracht spijt mij zeer.

In dit pijnlijke proces heb ook ik fouten gemaakt. Maar ik heb nooit getwijfeld dat Joost zich in mijn uitlatingen had kunnen vinden. Hij was een groot pleitbezorger van openheid over zelfdoding, al was het maar om daarmee wellicht iemand anders te kunnen redden. Die overtuiging deelden we vele jaren, we publiceerden bijvoorbeeld beiden al meer dan tien jaar geleden een boek over dit onderwerp, en ik geloof dat ik in zijn geest handel door niet terughoudend te zijn in publieke uitlatingen over dit beladen onderwerp.

In dit bericht gaat het over zelfdoding. Mocht je daar vragen over hebben of behoefte te hebben om er over te praten, bel 0900-0113 of bezoek 113.nl.

 

Oorspronkelijk gepubliceerd op Joop.nl. Lees de column en reacties op Joop.nl.

 

Ik had een klap voor mijn kop nodig

Ik had een klap voor mijn kop nodig

Bram Bakker fotograaf Paul Tolenaar

fotograaf: Paul Tolenaar

 

Een interview in de Trouw over het nieuwe boek van Bram.

De bekendste psychiater van Nederland constateerde bij zichzelf een depressie. Maar die bleek een lichamelijke oorzaak te hebben.

Begin dit jaar werd psychiater Bram Bakker (55) steeds vaker voor dronkenman aangezien als hij broodnuchter z’n hondje uitliet – met een zwalkende tred. Een gang door ziekenhuizen en talloze onderzoeken volgden. Zijn cerebellum, ook wel de kleine hersenen genoemd, was verstoord.

De altijd uitgesproken, fanatiek hardlopende en schrijvende psychiater was een bedlegerige man geworden. Neerslachtig werd hij daarvan. De officiële oorzaak voor de verstoring werd niet gevonden. Over zijn ervaring schreef Bakker het boek ‘De dokter als patiënt’, dat zondag verschijnt.

“Psychiaters denken vaak niet aan de mogelijkheid dat psychische klachten een lichamelijke oorzaak hebben”

 

 

Lees hier het hele artikel in de Trouw

 

Meer informatie over de Dokter als patiënt

Je kan het boek hier bestellen.

Wat Trump me leerde over de media

Blind geloof hechten aan wat er wordt geserveerd als nieuws op radio en tv is even naïef als geloven dat politici slechts geïnteresseerd zijn in een betere wereld.

Om nu te zeggen dat ik fan ben van Donald Trump voert veel te ver, maar voor de inzichten die hij me heeft gegeven in het functioneren van de media ben ik hem dankbaar. Ik ben opgevoed met een heilig ontzag voor de krant en het NOS-journaal, maar denk daar inmiddels heel anders over. Met dank aan de Amerikaanse president dus…

De agenda van de media overlapt weliswaar met nieuwswaardige gebeurtenissen, maar valt er zeker niet mee samen. Sommig nieuws wordt actief gemaakt op televisie, radio of krant, maar evenzeer worden ons nieuwswaardige feiten onthouden. Iedereen weet wie Anne Faber was, maar hoeveel onschuldige slachtoffers van mannen die opgesloten hadden moeten zitten, zijn er wel niet?

Dat er een verband is tussen de afstand tussen een ramp en de media-aandacht die er in ons land aan wordt besteed, weet iedereen. Een aanrijding in pakweg Zwolle krijgt meer aandacht dan een busongeluk met vijftig slachtoffers in Zuidoost Azië…

Ook bij gelijke afstand tellen de feiten verschillend: een dronken jongere die zichzelf na een avond stappen doodrijdt is nieuws, maar dat er ieder weekeinde veel meer jongeren uit het leven stappen vanwege psychische problemen lezen we maar zelden in de krant.

Het is eerst inschatten wat de relevantie van het nieuws is, en dan pas reageren. Ik mag veelvuldig in de media commentaar geven op de burn-out van Dre Hazes jr. en aanverwante rampen, maar als ik vind dat ik zelf iets relevants te melden heb zijn media niet geïnteresseerd. Het idee dat je aandacht kunt bestellen is onjuist, tenzij je Peter R. de Vries heet, of Willem Holleeder. Maanden zat ik ziek thuis, maar het boek dat ik schreef over de bejegening door medici vonden de media niet interessant. De dreigende mentale crisis van een bekende deejay mocht ik tegelijkertijd wel becommentariëren.

Iedere dag verschijnen er tientallen boeken van mensen die de wereld iets willen laten weten. Het is ondenkbaar dat de media aan al deze egodocumenten aandacht kunnen besteden. Tegelijkertijd lees ik regelmatig interessante verhalen die qua media-aandacht toch volledig worden genegeerd. Toegegeven: van mijn eigen boek dacht ik ten onrechte ook dat het nieuwswaardig was.

Dat media geen aandacht voor iemand hebben wordt vaak geduid als een ego-probleem van degene die geen aandacht krijgt voor hetgeen hij of zij zelf graag kwijt wil. Niet altijd ten onrechte, die verdenking op narcistische problematiek. Daarmee zijn we weer terug bij Trump, die de aandacht van media die er wel voor hem is heeft aangeduid met het inmiddels massaal ingeburgerde begrip ‘fake news’. Iedereen begrijpt ondertussen dat het bestaat.

Media hebben een eigen agenda, dat is duidelijk. Blind geloof hechten aan wat er wordt geserveerd als nieuws op radio en tv is even naïef als geloven dat politici slechts geïnteresseerd zijn in een betere wereld. Feiten bestaan echt, denk ik, maar je leest ze nooit als vanzelfsprekend in de krant. Want die moet worden verkocht, en daarvoor gelden heel andere regels.

Lees oorspronkelijke column en reacties op Joop.nl

 

De eeuwige bron

De eeuwige bron

Hieronder lees je een hoofdtuk uit het boek de Dokter als patiënt.

Bram-Bakker-De-dokter-als-patientIn de zomer van 2018, ik was al geruime tijd uitgeschakeld door mijn klachten, las ik dan eindelijk De eeuwige bron van Ayn Rand. Het boek verscheen in 1943 voor het eerst in haar vaderland, de Verenigde Staten, onder de titel The Fountainhead. Ik wist niets van de schrijfster en ook niets van de achtergronden van deze tijdloze roman.

Rand begon eraan te werken in 1935 en meer dan tien uitgevers weigerden het manuscript te publiceren. Uiteindelijk werd het een wereldwijd succes door de beste promotie die er voor een boek bestaat: mond-tot-mondreclame.

Naderhand hoorde ik dat de schrijfster controversieel zou zijn vanwege rechtse politieke sympathieën. Ik heb ze in de roman niet kunnen ontdekken en ik vraag me serieus af of dit boek er een afspiegeling van is. Het beschrijft een tijdsgeest die nog steeds heerst, los van de opinie die je erover kunt hebben.

Al vele jaren geleden kreeg ik het cadeau van mijn toenmalige zwager, een architect. Hij was razend enthousiast over het boek, maar dat bracht ik vooral in verband met het beroep van de held in het verhaal: de architect Howard Roark. En een speciale interesse in architectuur had ik niet. Het boek bleef ongelezen liggen, en zo hield ik mijn eigen misvatting in stand dat het boek over architectuur ging. Ook de schrijfster zelf heeft naderhand meermaals verklaard dat het haar niet om de architectuur te doen was.

Pas toen ik iemand leerde kennen die in haar (professionele) leven de uitstraling heeft van een Howard Roark, heb ik me achteraf gerealiseerd, die mij ook nog eens verklapte dat The Fountainhead haar favoriete boek was, ging ik het lezen.

Ayn Rand heeft met dit boek een verhaal geconstrueerd waarin ze haar filosofie over de mens vormgeeft. En ik denk dat het succes van het boek alles te maken heeft met de levensechte personages, die zich voor grote vragen gesteld zien worden. Het is goed geschreven (en vertaald), maar de inhoud maakt het tot een tijdloos meesterwerk, niet de schrijfstijl.

De architect Howard Roark gedraagt zich misschien als een hork, maar als lezer houd je direct van hem. Hij staat voor wat hij doet, en daar brengt niemand hem vanaf. Wie zou er nu niet zo willen zijn?

Zijn tegenpool is ook architect, en deze Peter Keating gedraagt zich precies zoals de meeste succesvolle mensen ook nu nog: hij werkt aan een beeld van zichzelf dat hem populair maakt in de kringen van machthebbers. En omdat die meestal ook geld hebben wordt Keating rijk. Hij beheerst de vorm, maar op een originele gedachte valt hij niet te betrappen. Het is fijn voor ons lezers dat hij er uiteindelijk ook niet gelukkig van wordt.

Waarschijnlijk maakt dit het boek ook zo tijdloos: de architectuur, en in mindere mate New York City, zijn enkel een decor voor een cultuur die ook in 2018 nog steeds de ‘moderne’ wereld regeert. En misschien nog wel veel meer dan bijna een eeuw geleden. Roark wil scheppen, koste wat het kost. De rest van de wereld wil dat hij zich voegt naar de heersende spelregels. Dat gebeurt onder regie van een onaangenaam karakter, de publicist Ellsworth Toohey, die als een soort Machiavelli achter de schermen aan de touwtjes trekt. Een vierde hoofdpersoon, de mediamagnaat Gail Wynand, beweegt zich tussen beide polen, Roark en Keating. In de hoop dat je het boek zelf gaat lezen verklap ik hier verder niets.

De eeuwige bron is op dit moment in mijn leven, als herstellend patiënt en op zoek naar mijn identiteit als dokter, zonder twijfel het boek dat me het meest aan het denken heeft gezet. En heeft geraakt. Dat ik het zeer tegen mijn gewoonte in ga herlezen staat nu al vast. Artsen oefenen hun vak uit alsof ze Peter Keating zijn. Maar wie wil nu niet een Howard Roark worden? Ik wel!

Is het een pessimistisch boek? Ik denk van niet. Confronterend is het zeker, maar gelukkig is er ook de liefde, en die geeft hoop. De liefde geeft ons lezers altijd zicht op een mogelijk happy end. Omdat wij mensen het daar uiteindelijk toch altijd van moeten hebben.

Het is vast geen toeval dat ik dit boek uiteindelijk las in een periode waarin ik op zoek was naar een nieuwe koers in mijn leven, als dokter, als patiënt, maar vooral ook als mens. Als een soort Peter Keating was ik in 54 jaar een heel eind gekomen, maar door mijn ziekte werd ik geconfronteerd met de beperkingen van mijn beroep, en ook van mijn leven. Een hedendaagse dokter is vaak niet meer dan een al dan niet geslaagde variatie op de figuur van Peter Keating. We repliceren onze idolen door ons de teksten van hun leerboeken eigen te maken, en we volgen slaafs de protocollen die door een comité van wijze mannen en vrouwen voor ons zijn bedacht. Denk daar nog eens over na als je leest dat Howard Roark altijd samenwerking met andere architecten weigerde, omdat de kwaliteit van zijn eigen schepping daar niet bij zou zijn gebaat. Het poldermodel als hoogste ideaal?

Als ik moet terughalen waarom ik ooit psychiater ben geworden, dan komt het erop neer dat ik mensen in zwaar weer wil proberen te helpen met het construeren van hun persoonlijke verhaal. In de hoop dat een kloppend verhaal helpend is in de rest van hun leven. Een goede therapeut stelt zichzelf daarbij dienend op – en dat is wat me nog steeds het meest trekt in de psychiatrie. Een persoonlijke mening mag je hebben, maar deze inbrengen zonder dat het een functie heeft in het proces van de patiënt beschouw ik als een doodzonde. Psychotherapie is een creatief, scheppend proces, net als het ontwerpen van een gebouw. Wat dat betreft had dit boek ook de psychiatrische wereld als achtergrond kunnen hebben.

Het blind volgen van richtlijnen en protocollen is mijlenver verwijderd van een individueel scheppingsproces. Maar ook als psychiater ben ik liever Howard Roark dan Peter Keating, en voor dat inzicht ben ik Ayn Rand en haar boek dankbaar. Eigenlijk zouden alle artsen er goed aan doen dit boek eens te lezen. En op zich in te laten werken…

Meer informatie over de Dokter als patiënt

Je kan het boek hier bestellen.

Op 16 november is een boekbespreking van De Eeuwige Bron van Ayn Rand in de Nieuwe Boekhandel in Amsterdam. Lees hier meer over de boekbespreking.

 

Moeder van glas

Moeder van glas

Aan liefde geen gebrek in dit boek, maar ook wordt pijnlijk duidelijk dat een bipolaire stoornis er niet van geneest

bram bakker moeder van glas

Laat ik gelijk maar bekennen dat ik haar heb gekend, Emma Schlikker-Carstens, de moeder van Roos Schlikker. En misschien dat het boek dat haar dochter Roos me gaf daarom nog wel meer raakt. Het verscheen een jaar na Emma’s onfortuinlijke dood.

Raken doet het verhaal sowieso, het zou vreemd zijn als dat niet zo was. Omdat het nauwkeurig beschrijft wat een gruwelijke aandoening de bipolaire stoornis is, omdat het de liefde tussen een moeder en haar dochter tastbaar maakt, en een rouwproces zelden zo treffend is omschreven. Roos laat ons voelen hoe moeilijk het leven voor iemand met een bipolaire stoornis moet zijn, zeker als die pas laat wordt ontdekt en steeds erger wordt. ‘Rapid cycling’ trof Emma in de herfst van haar leven, de emoties schoten alle kanten uit, meerdere keren per dag. En de medicijnen die ze daar braaf tegen slikte hielpen niet. Ze viel om onbekende redenen van een trap, en dit werd uiteindelijk haar dood, maar veel mensen die zo ziek zijn kiezen zelf voor de dood. Ze stappen uit het leven of vragen om euthanasie.

De bipolaire stoornis, vroeger vooral bekend als manische depressiviteit, is een vreselijke ziekte. Naar schatting 150.000 mensen lijden eraan, en vaak wordt het niet herkend, of niet goed behandeld. Of in het geheel niet behandeld. Een klassiek antidepressivum kan een vreselijke manie (ontremming) uitlokken, met niet zelden ernstige gevolgen.

Het is een kwaal met een relatief hoog erfelijkheidsgehalte. Emma hoopte lang niet op haar moeder te lijken, die het ook had. Met haar vader Rien en dochter Roos vormde ze een bijzonder trio, dat in doen en laten sterk werd gekleurd door de ziekte van de moeder.

Aan liefde geen gebrek in dit boek, maar ook wordt pijnlijk duidelijk dat een bipolaire stoornis er niet van geneest. Goed dat het er is, die liefde, maar het biedt weinig garanties tegen de vaak gruwelijke stemmingswisselingen. Alleen daarom al zou iedereen met enige interesse in psychische stoornissen dit boek moeten lezen.

De manier waarop de professionele behandeling moeder en dochter in de kou laat staan stemt ook niet vrolijk. Goed dat het nog eens wordt benoemd, maar helaas wisten we dit al.

Het meest getroffen was ik door het verdriet van Roos: iedereen die deze Emma heeft gekend kan haar missen, maar wat een dochter doormaakt die haar moeder ineens verliest werd zelden treffender beschreven. Roos Schlikker wilde geen hagiografie over haar moeder schrijven, en dat is het ook zeker niet geworden. Door de ziekte was deze moeder soms ronduit onuitstaanbaar voor de mensen in haar omgeving.

Maar na het lezen nog een hekel hebben aan deze bipolaire Emma gaat niemand lukken. Dat komt door wie ze was, maar zeker ook door de indrukwekkende omschrijving die haar dochter van haar geeft. Overal in het boek staan de handgeschreven briefjes van Emma, die slechts bijdragen aan het gevoel dat hier sprake was van ernstig psychiatrisch lijden. De liefde doet daar helaas niets aan af.

Bestel het boek bij Bol.com

bram bakker moeder van glas

Je kan het boek hier bestellen

 

 

 

Herziene editie Verademing

Herziene editie Verademing

Verademing Bram Bakker

Nu eindelijk de herziene editie van Verademing. Er zijn inmiddels meer dan 50.000 exemplaren verkocht!

Koen de Jong en ik besloten een ander boek Sporten voor beginners, er geheel in te integreren, en we denken nu weer jaren voorwaarts te kunnen. We zijn vooral trots, want Verademing vormde het vertrekpunt voor Uitgeverij Lucht (naar de website van Uitgeverij Lucht).

 

 

Je kan het boek hier bestellen.

 

Autorijden

We gaan liever met medicatie, drank of drugs achter het stuur dan dat we erkennen dat onze rijvaardigheid is aangetast

Waarschijnlijk ben ik gewoon een typische automobilist: net als de overgrote meerderheid der rijbewijshouders verbeeld ik me dat mijn rijvaardigheden ver boven het landelijk gemiddelde liggen. Iedereen kent de nieuwsberichten waarin die statistieken worden gepresenteerd, maar toch blijft men van mening dat hij of zij zelf duidelijk bovengemiddelde rijkwaliteiten bezit. Ook al is ongeveer de helft van alle chauffeurs per definitie benedengemiddeld.

Nog lastiger wordt het wanneer iemand het waagt om commentaar te leveren op de manier waarop je rijdt. Het voelt vaak minstens even heftig als een aanval op de persoonlijke integriteit. In mijn geval dan, en ik kan het weten: als uiting van een aandoening (cerebellaire ataxie) ging ik ook slechter rijden. Maar dat toegeven was er niet bij. Ik vond sowieso dat er weinig met me aan de hand was, maar dan ook nog vragen of ik niet anders reed dan normaal beschouwde ik als ongepast. Niet minder dan een belediging was het.

“Nog lastiger wordt het wanneer iemand het waagt om commentaar te leveren op de manier waarop je rijdt.

Terwijl ik wel degelijk signalen kreeg dat ik niet reed zoals ik gewend was. Twee weken heb ik helemaal niet gereden, maar dat was omdat de dokter mij het opdroeg. En om haar niet teleur te stellen luisterde ik braaf, terwijl ik ondertussen volhield dat het onterechte bezorgdheid was van de medicus. Het kost me ook nu, een half jaar later, nog moeite om te erkennen dat het hard nodig was. Ongelukken zijn er niet geweest, maar geavanceerde functies van mijn auto als ‘adaptive cruise control’ (automatisch inhouden als je een voorganger te dicht nadert) hebben daar zeker flink bij geholpen. De techniek van mijn auto was een stuk beter dan ik als bestuurder…

Ook hier blijkt hoe terecht het is dat we de auto ook wel aanduiden als ‘heilige koe’. Terwijl autorijden een zeer onnatuurlijke bezigheid is, zoals bijvoorbeeld blijkt uit het relatief hoge aantal paniekaanvallen in de auto. Er zijn talloze mensen die staan te hyperventileren in de file, die het krampachtig vermijden om per auto over een brug of door een tunnel te rijden en die zelfs de snelweg nooit opgaan. Uit angst om achter het stuur bevangen te worden door een hartaanval of complete gekte. Het is vergelijkbaar met angst voor vliegtuigen, liften of drukke winkels, ook allemaal vrij ongewoon als je er over nadenkt. Maar we houden krampachtig vol dat er niets aan de hand is, zelfs als we slechts met samengeknepen billen mee durven doen.

We gaan liever met medicatie, drank of drugs achter het stuur dan dat we erkennen dat onze rijvaardigheid is aangetast. En waarom? Ook ik begrijp er niks van, en maak me er schuldig aan. Ik heb zonder veel moeite allerlei gênante ziekteverschijnselen durven delen met de mensen om mij heen, maar erkennen dat ik een slechte chauffeur was vind ik pas echt moeilijk. Terwijl ik mijn aandoening nog als excuus had. Misschien ben ik altijd wel een matige chauffeur, ik moet er niet aan denken. Zoals de meeste mensen…

Lees deze column en de reactie op Joop.nl

Blijf-Beter!Welkomsgeschenk

Bram's tweewekelijkse nieuwsbrief is alweer een paar maanden bezig. Meld je vandaag nog aan en ontvang zijn boek Blijf Beter! (in pdf).

Mis 'm niet!