Leefstijlgeneeskunde is nodig voor echte trendbreuk in de zorgkosten

Een pleidooi voor leefstijlgeneeskunde, náást conventionele (farmaco)therapie, als recept voor medische en financiële winst.

Opiniestuk in Financieel Dagblad van Martijn van Winkelhof, fiscaal econoom, Hanno Pijl, hoogleraar diabetologie en trendwatcher Adjiedj Bakas.

Ondertekend door o.a. Bram Bakker, Esther van Fenema, Adjiedj Bakas, Casper van Eijck en Ivan Wolffers.

HFD_20180326_0_009_011

 

Oorspronkelijk gepubliceerd in Fd, zie link naar het artikel.

 

De dokter als patiënt (deel 2)

Als psychiater werk ik in een algemeen ziekenhuis en mede daarom verbeeld ik me echt wel iets van onze gezondheidszorg af te weten. Tot ik van de andere kant in het systeem beland, als patiënt…

Sinds ongeveer vijf dagen kan ik niet normaal lopen, en dat is eigenlijk mijn enige klacht. Ik wankel als een dronkenman, maar zonder een drup gedronken te hebben. De dokters die me onderzoeken zijn allemaal ongerust. Een spoed-MRI wordt noodzakelijk geacht, maar in het ziekenhuis waar ik preventief ben opgenomen moet ik er drie dagen op wachten. De dokter daar begrijpt wel dat ik op vrijdagavond van de CVA-afdeling vertrek, omdat wachten geen duidelijkheid oplevert, en ik tot maandag anders alleen maar moet liggen.

Normaal

Op zaterdagochtend app ik de baas van Prescan, omdat ik die toevallig ken. Het is op aanraden van mijn compagnon, die ondertussen zelf probeert mij op zaterdag nog ergens ingeroosterd te krijgen. Binnen drie kwartier krijg ik reactie. Aan het einde van de ochtend kan ik geholpen worden in Rheine in Duitsland, net over de grens bij Hengelo. Ik laat me rijden door mijn oudste zoon. We worden als echte klanten ontvangen, en vertrekken twee uur later, gerustgesteld door de radioloog. Hoe het slechte lopen komt is nog steeds onduidelijk, maar de MRI (met contrast) is normaal en ik ben opgelucht.

Het onderzoek komt me op een hoop commentaar te staan, vanwege de reputatie van Prescan. Ten onrechte, want ik heb een indicatie, betaal zelf (het kost achteraf 600 euro) en bespaar de Nederlandse burger geld door niet onnodig af te wachten in een duur ziekenhuisbed. En iedere andere particuliere instelling die mij die zaterdag een MRI had bezorgd was ook prima geweest. Van omkoping of onterechte reclame is geen sprake. Wel heb ik eigen netwerk aangewend en ben ik een uiterst tevreden consument.

Excuus

Op maandag weet ik nog steeds niet wat ik wel heb. De raad van bestuur van het ziekenhuis waar ik lag maakt telefonisch excuus voor de ongelukkige gang van zaken. Ik regel in mijn eigen netwerk een ervaren KNO-arts, die me uitgebreid onderzoekt. Wat hij ook probeert, duizelig krijgt hij me niet. Maar hij deelt met mij zijn zorg dat ik verontrustend vreemd loop. In mijn oren is ook niets vreemds te zien, dus we komen overeen dat het niet om een KNO-aandoening gaat, en dat retour neuroloog de verstandigste optie is. Maar die heb ik niet meer… Hij (de KNO-arts) overlegt met een ervaren neuroloog, die vrijgevestigd is. Deze raadt zichzelf echter af, omdat hij beperkt is in zijn mogelijkheden om vervolgonderzoek aan te vragen. Een algemeen ziekenhuis, al dan niet academisch, lijkt de beste optie.

Na tien dagen belabberd lopen bel ik een (vrouwelijke) neuroloog in het ziekenhuis waar ik zelf werk, MC Slotervaart. Ik krijg een afspraak op woensdag, eerder lukt echt niet. Een herhaling van zetten volgt: ze is ongerust en wil vervolgonderzoek. Nog diezelfde middag doet ze op de dagbehandeling een zogenaamde lumbaalpunctie, om mijn hersenvocht te onderzoeken op kanker of enge bacteriële infecties. Een paar uur later kan ze me geruststellen: dat is het vrij zeker ook niet, blijkt uit de eerste uitslagen.

Wat dan wel?

Er staan allerlei virussen uit, zowel in bloed als lumbaalvocht. De uitslag kan wel een week duren. Behandeling is er vooralsnog niet, ik loop hooguit slechter.

Wordt vervolgd….

Lees de column (en reacties) op Joop.

Lees hier het eerste deel van De dokter als patiënt

De dokter als patiënt

Als psychiater werk ik in een algemeen ziekenhuis en mede daarom verbeeld ik me echt wel iets van onze gezondheidszorg af te weten. Tot ik van de andere kant in het systeem beland, als patiënt

Het begon met mijn vriendin, die ietwat ongerust opmerkte dat ik vreemd liep, tijdens het uitlaten van het hondje. De dag daarna vroegen mijn kinderen of er iets met me mis was, omdat ik zo onhandig bewoog. Het was ook mijzelf niet ontgaan, maat ik had geprobeerd mezelf gerust te stellen: je bent een topfitte hardloper, het zullen wel naweeën zijn van de griep. Ik voelde me verder ook geheel gezond. Maar de zorgen van mijn dierbaren verontrusten me, dus belde ik maar wel voor een afspraak bij de huisarts. Ik kon direct de volgende ochtend, donderdag, vroeg komen, zei de assistente die mijn verhaal had aangehoord. En als het dezelfde dag nog moest kon dat ook worden geregeld, zei ze er nog achteraan.

Een huisarts in opleiding onderzocht me, de volgende ochtend. Hij schrok duidelijk van mijn dramatische prestaties bij het lopen over een denkbeeldige lijn. Mijn vaste huisarts, zeer ervaren, en hij kent me goed, kwam meekijken. Hij keek zorgelijk. “Het lijkt iets met je cerebellum”, zei hij. Leek ook mij niet onlogisch, want daar worden beweging, balans en evenwicht gecoördineerd. Eerst maar even wat bloedprikken en vanmiddag bellen, spraken we af.

Braaf

Rond halftwee had ik de huisarts aan de telefoon. Hij had overlegd met de neuroloog van een dichtbijgelegen ziekenhuis en het advies was om me daar zo snel mogelijk te melden op de Spoedeisende Hulp. Ik schrok, maar luisterde braaf. Ik maakte me los van een afspraak op mijn werk, en meldde me om twee uur. Ik werd inderdaad verwacht. Na 2,5 uur wachten kwam er een verpleegkundige die excuus maakte en nog meer bloedonderzoek aanvroeg.

Rond zes uur, dus vier uur na mijn spoedmelding, kwam er een vriendelijke arts-assistent, die me onderzocht, maar die er duidelijk ook niets van kon maken. Zij vroeg een CT-scan aan, waar uiteindelijk niets afwijkends op te zien was. Rond halfacht ’s avonds kwam ze terug met een ‘echte’ neuroloog, die bij wat geavanceerde testjes wel wat afwijkingen vond, met name een verschil tussen mijn linker en rechter lichaamshelft. Het woord CVA viel, best eng. Ik moest opgenomen worden op de ‘stroke unit’ en alvast behandeld worden alsof ik een herseninfarct had, uit voorzorg. Vierentwintig uur aan de monitor en drie soorten pillen. “En morgen een spoed MRI, want op een CT zien we onvoldoende.”

Rond tien uur, dus acht uur na binnenkomst van het ziekenhuis, was ik op de afdeling. Tussen twee oudere heren belandde ik, waarvan overduidelijk was dat ze net een beroerte hadden gehad.

Ongerust

De volgende ochtend, vrijdag, nieuwe dokters, die het beleid bevestigden, maar nog niet konden zeggen wanneer de MRI zou plaats vinden. Hoewel ik me nog steeds niet ziek voelde nam de ongerustheid toe. Einde van de middag komen we terug, zei de tweede neuroloog die ik zag. ‘En u bent natuurlijk ook nog een collega’, voegde ze er vriendelijk aan toe.

De hele dag vroeg ik passerende verpleegkundigen of ze al iets wisten over de planning. Zonder uitzondering lieve dames. Maar ook een beetje ongemakkelijk dat ze me een antwoord schuldig moeten blijven.

Om halfzes vrijdagavond kwam een zaalarts melden dat de MRI niet voor maandag ging lukken. Ze zag mijn verbaasde blik, en zei toen: ‘Ik kan het niet helpen, de mensen die de MRI-planning doen zijn om vijf uur al naar huis gegaan. En wij willen zelf ook graag weten of het geen multiple sclerose is’.

Ze begreep wel dat ik niet langer op de afdeling wilde blijven wachten. Ik kreeg recepten mee voor de bloedverdunners en de cholesterolremmer, passend bij de behandeling van een CVA. ‘Omdat u dan poliklinisch bent kan de MRI niet op maandag, u krijgt dinsdag een brief thuis wanneer het dan wel wordt’, waren haar laatste woorden.

In een kleine zesendertig uur was slechts mijn ongerustheid gevoed.

Lees de column (en reacties) op Joop.

 

Dokters kunnen niet afschrijven

Dokters kunnen niet afschrijven

Veel artsen staan met de mond vol tanden als patiënten willen stoppen met pillen. Hoe medicatie moet worden afgebouwd is meestal niet goed onderzocht namelijk.

Een belangrijk onderdeel van de artsenopleiding is het leren voorschrijven van medicatie. Wanneer schrijf je een geneesmiddel voor, waar moet je op letten als je dat doet, en hoe evalueer je het effect? In de opleiding tot medisch specialist leer je vervolgens ook nog heel goed wat de alternatieven zijn als een bepaald middel niet werkt. Er zijn richtlijnen voor de vervolgstappen, en bijna zonder uitzondering vertellen die de dokter welk middel te kiezen als het eerste niet of onvoldoende heeft gewerkt.

cc-foto Jose M Rus. Apotheek De Groote Gaper in Enkhuizen

Kortom: dokters leren heel goed hoe ze medicatie moeten voorschrijven en welke pillen er gebruikt moeten worden, of extra worden toegevoegd, bij onvoldoende resultaat. De wetenschappelijke studies waar de kennis in de richtlijnen op is gebaseerd komt vrijwel altijd van studies die zijn gesponsord door belanghebbende farmaceutische bedrijven. Die financieren graag dat dokters veel medicatie voorschrijven.

Soms willen mensen ook graag weer van de medicatie af: ze voelen zich beter en denken het ook wel zonder pillen af te kunnen, of ze hebben bijwerkingen die ze graag kwijt willen. Op dat moment staan veel artsen met de mond vol tanden. Hoe medicatie moet worden afgebouwd is meestal niet goed onderzocht namelijk.

Hoe kom je van die pillen af?

Een van de grootste onopgeloste problemen in de Nederlandse gezondheidszorg zijn de miljoenen gebruikers van psychofarmaca (slaappillen, kalmeringstabletten, antidepressiva, etc.) en het niet geringe deel daarvan dat wil minderen of stoppen. Hoe moeten we dat aanpakken? Ze zijn in grote meerderheid in zorg bij de huisarts voor de herhaalrecepten, en deze weet zich vaak geen raad met deze vraag. Maar om iemand nu naar de GGZ te verwijzen om medicatie af te bouwen…

We zijn er in de praktijk bijvoorbeeld achter gekomen dat sommige mensen hun antidepressiva heel langzaam moeten afbouwen, omdat het anders niet lukt. Maar de zogenaamde taperingstrips, die daarvoor nodig zijn, worden door de farmaceutische industrie niet gefabriceerd en als een apotheker ze zelf produceert (magistrale bereiding) worden de kosten niet gedekt door de zorgverzekeraar.

Het afbouwen van antidepressiva en andere psychiatrische medicatie vormt in de dagelijkse praktijk van de tegenwoordige huisarts een serieuze uitdaging. De vraag van de patiënten is helder, het antwoord ontbreekt, of is onbereikbaar en/of onbetaalbaar binnen het huidige systeem.

Afbouwpoli

De politiek zou tenminste moeten zorgen dat de geleidelijke afbouw met behulp van taperingstrips wordt vergoed. De zorgprofessionals zouden eens moeten nadenken over een serieus behandelaanbod voor mensen die medicatie willen afbouwen. Duur hoeft dat niet te zijn, omdat het grotendeels in groepsverband zou kunnen en met online ondersteuning.

Je verdient er zelfs geld mee, omdat de niet geringe zorgkosten die te maken hebben met zeer langdurig gebruik van psychofarmaca flink zullen afnemen. Denk aan de kosten van hoge bloeddruk, overgewicht en andere bijwerkingen. Het is nog slechts wachten op de afbouwpoli…

Lees de column (en reacties) op Joop.

Goed voornemen

Goed voornemen

Na een serieuze wedstrijd neem ik altijd graag een paar weekjes vrijaf. Ik loop dan minder, en ben ook wat gemakzuchtiger in mijn zelfzorg: ik drink wat vaker een wijntje of biertje, let niet op wat ik eet, en kom dan ook zomaar een paar kilo aan.

Niet lopen is geen optie, maar met twee keer in de week heb ik het dan wel even gehad.

Mijn benen kunnen herstellen, en ondertussen laad ik me op voor de volgende wedstrijd. Ergens prik ik dan een datum waarop mijn voorbereiding begint

En toevallig is dat nu 1 januari. Ik heb na de marathon van Valencia, zes weken geleden, niet zo heel veel meer gedaan, en me alles met de feestdagen goed laten smaken.

Zo goed dat ik ook weerstand op voelde komen tegen dit luie leven, de behoefte weer wat meer gestructureerd te gaan leven werd steeds sterker.

“Hoe meer goede voornemens, hoe groter de kans dat ze allemaal mislukken.”

Ik schakel naar drie trainingen per week vanaf nu, ik drink nog maximaal drie avonden per week een geringe hoeveelheid alcohol en ik ga weer koud afdouchen.

Dat laatste vooral om mijn wilskracht te trainen, want dat ik er sneller van ga lopen lijkt me onwaarschijnlijk. Maar toen ik twee jaar geleden meedeed met de ‘cool challenge’ voelde ik me super fit. Gewoon douchen, alleen een toetje ‘twee minuten koud’ er achteraan. Je wordt er in ieder geval wakkerder van, alerter. En het risico om ziek te worden neemt ook af, en dat is wel prettig met over vijfenhalve maand die ultra in het vooruitzicht.

Ik heb nog meer plannen, maar weet dat je niet alles tegelijk moet doen. Hoe meer goede voornemens, hoe groter de kans dat ze allemaal mislukken.

De halve marathon van Egmond

Mijn eerste meetpunt is de halve marathon van Egmond over twee weken. Een toptijd zal het niet worden, omdat ik nu al ben gestopt om op snelheid te trainen. Meer dan drie keer per week ga ik ook niet trainen, tot aan die wedstrijd, enkel de afstanden van de trainingen zal ik gestaag opvoeren.

Terwijl ik dit zo formuleer bekruipt de wedstrijdspanning me al een beetje: als het allemaal maar goed gaat, als ik maar heel blijf. De kans op ongelukken is het kleinst als je niet teveel overhoop haalt, dus ik beheers me. Vandaag ruim dertien kilometer ontspannen gelopen, morgen rustdag.

Nou ja: alleen een koude douche…

Lees de column (en reacties) op Sportrusten.

Trio’s

Trio’s

Het is nog geen officieel erkend genre in de journalistiek, het driegesprek. Maar als je de stukken leest die journaliste Nathalie Huigsloot daar de afgelopen jaren voor HP/De Tijd over schreef, dan begrijp je dat het dat wel zou moeten worden.

De interviewer neemt een veel bescheidener plaats in als er drie mensen in gesprek gaan over een onderwerp dat hen bindt. Natuurlijk heeft de journalist een belangrijke rol, als verslaglegger. Ook in het maken van de selectie van de fragmenten uit het gesprek die uiteindelijk gepubliceerd worden.

Huigsloot kan dat als geen ander. Ze schetst tussen de regels de sfeer van het gesprek, laat je als lezer voelen hoe de geïnterviewden zich tot elkaar verhouden. Of ze elkaar aardig vinden (vaak), of stiekem toch een beetje irritant (soms).

Het mooiste is dat je de mensen uit de driegesprekken anders leert kennen. De meesten van hen zijn bekend, en al vaak geïnterviewd. Maar door de feedback die ze elkaar geven, en de vrijpostigheid waarmee ze elkaar vragen stellen ontstaat een beeld dat je vaak nog niet kende. En dat vermoedelijk voor iedere lezer weer anders zal zijn.

Veertien lange driegesprekken zijn nu in boekvorm verschenen. Ze zijn zonder uitzondering behoorlijk tijdloos, maar handelen wel over actuele thema’s en kwesties die van alle tijden zijn. Het is het perfecte cadeauboek, voor iedereen die ze niet allemaal al gelezen heeft in HP/De Tijd, en dat zijn er vast niet zo veel…

Lees hier meer over het boek Trio’s.