Bij Sitagre, zonder diagnose (2)

Het is een grote, rijzige zestiger met een beetje stuurse uitstraling. Hij is zichtbaar niet op zijn gemak, in dit voor hem vreemde ziekenhuis in Amsterdam. Ik vraag hem hoe hij het vond om vanuit het Noorden naar de hoofdstad te rijden. “Niet fijn” is het korte antwoord. “Had u veel last, onderweg?” Hij kijkt me aan met een blik van: hoe weet jij dat nu, snotneus? “Ik las in uw dossier dat u veel last heeft van uw ademhaling, vooral in de auto. Dat u te snel ademt dan, en dat er dan krampen komen in uw schouders en nek. En soms ook tintelende vingers, of klopt dat niet?”

Na een kwartier begint hij te ontdooien, we kletsen over zijn grote liefde voor voetbal, en hij vertelt over de ellendige situatie met zijn vrouw. Ze is ernstig ziek, nog jong, maar toch al ernstige Alzheimer, en moet eigenlijk naar een verpleegtehuis. Maar hij wil dat ten koste van alles zo lang mogelijk uitstellen. “Ik heb haar in 1979 leren kennen, en vanaf dat moment tot nu hebben we één keer ruzie gehad” geeft hij als toelichting. Dat het hem nu niet meer lukt om ‘gewoon’ vijf dagen per week zijn werk als vertegenwoordiger te doen zit hem ook dwars. “Dat ging me meer dan veertig jaar moeiteloos af”

Doordat hij zich gedeeltelijk ziek heeft gemeld wil de bedrijfsarts nu dat hij zich laat doorverwijzen naar de GGZ, om met iemand te gaan praten. “Voor mij hoeft dat niet, ik praat wel met mijn kinderen, als ik daar behoefte aan heb”

Wat helpt eigenlijk wel, naar zijn idee, bij de klachten? “Bij mij in het dorp zit een vrouwtje waar ik iedere twee weken naar toe ga. Zij maakt de spieren in mijn nek los, en ze geeft me oefeningen, om anders adem te halen.”

“Zou het een idee zijn om dat iedere week te doen, of zelfs twee keer per week?”

“Da’s misschien wel een goed idee” zegt hij, en hij kijkt me aan alsof hij zich eindelijk begrepen voelt.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *